Kevin Vermassen

Aan de slag met STEM, ICT & Nederlands

Werkwoorden – onvoltooid tegenwoordige tijd

Tekstversie

Stam en infinitief

De infinitief is de vorm van het werkwoord die je in het woordenboek vindt: lopen, spelen, hebben, zwemmen. In het Nederlands eindigt die bijna altijd op –en.

De stam van het werkwoord vorm je door het werkwoord in de volgende zin te plaatsen: ik………………………..nu.

Bijv. Ik loop nu, ik speel nu, ik zwem nu.

Oefeningen

Vervoeging in de onvoltooid tegenwoordige tijd

De pv vind je door een ja/nee-vraag te maken.

Het onderwerp van een zin vind je door de vraag “wie of wat + pv?” te stellen.

Bestudeer het onderstaande schema aandachtig. Daarna moet het mogelijk zijn om alle oefeningen correct op te lossen. Eventueel kun je dit schema printen.

ott

Er is 1 uitzondering op het schema: Als het onderwerp in de zin “je” of “jij” is, en als dat onderwerp achter de persoonsvorm staat, dan valt de “t” weg.
Bijvoorbeeld: je lacht –> lach je MAAR je broer lacht –> lacht je broer?

Ook: als je een bevel geeft –> alleen de stam. Kom hier, sta op, sluit het raam.

ik werk STAM
jij/je werkt STAM+t
hij/zij werkt STAM+t
u werkt stam+t
wij/we werken infinitief
jullie werken infinitief
zij/ze werken infinitief

Oefeningen

Vorige

Verdelen in lettergrepen

Volgende

Werkwoorden – Onvoltooid verleden tijd

  1. Abdella

    Danku voor de oefeningen Meneer.

Geef een reactie of stel een vraag.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén