Tag: Oefeningen

  • Gezegde

    Gezegde

    Leer wat het gezegde van een zin is en leer het onderscheid maken tussen een werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde in onderstaande presentatie.

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

  • Verkleinwoorden

    Verkleinwoorden

    Hoe maak je de verkleinwoorden?

    1. Een verkleinwoord maak je meestal door het achtervoegsel –je toe te voegen.
      Huis – huisje, stad – stadje
    2. Na woorden eindigend op l, n, w of r  komt het achtervoegsel -tje.
      Stoel – stoeltje, schoen – schoentje, vrouw – vrouwtje, deur – deurtje
    3. Na woorden eindigend op m  komt het achtervoegsel -pje.
      boom – boompje
    4. Als het woord op –ng eindigt dan maak je het verkleinwoord met kje of etje
      koning – koninkje, leerling – leerlingetje.
    5. Als het woord op één vrije klinker eindigt dan verdubbel je die klinker.
      Oma – omaatje, café – cafeetje, villa – villaatje.
      Let op: als het woord op –y eindigt, dan schrijf je een weglatingsteken, zie hier.
      baby – bay’tje, pony – pony’tje.
    6. Als het woord een letter, cijfer of afkorting is, dan gebruik je een weglatingsteken.
      A4’tje, sms’je, p’tje.

    Oefeningen

    • Maak de verkleinwoorden
    • Zelfstandig naamwoord: verkleinwoord

    Klik hier om de oefeningen te starten.

  • De tussenletters

    De tussenletters

    Tussenletter ‘s’

    Vissersboot zul je nooit fout schrijven want je hoort de tussenletter ‘s’ tussen visser en boot.

    Schrijf dus steeds een ‘s’, als je er één hoort. Bijv. parlementslid, zondagskrant, stationsplein.

    Moeilijker wordt het wanneer je het woord dorpsschool moet schrijven, want schrijf je dan 1 ‘s’ of 2?

    De enige regel die je moet volgen is de regel van de analogie, je vervangt het laatste deel van het woord zodat je kunt horen of er een ‘s’ bijkomt of niet.

    Bijv.

    • Dorp + school is dorpsschool want het is ook dorpsplein.
    • Passagier + schip is passagiersschip want het is ook passagiersboot.
    • Geboorte + suiker is geboortesuiker want het is ook geboortekaartje

    Oefening

    Tussenletter ‘n’

    Tekstversie

    Deze regels gelden alleen voor de samenstellingen waarbij je tussen de twee delen een “e” hoort. Als we “en” schrijven zeggen we toch “e”. Bijv. reuzeleuk, reuzenstap, flessenmelk, zonnebloem.

    We schrijven altijd –en

    • als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op –n heeft.
      Druivenschil want druif heeft alleen druiven als meervoud.
      Bijv. boekenkast, toetsenbord, pennenzak, hondenhok, paardenbloem.
    • als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat zowel een mannelijke als vrouwelijke vorm heeft. Bijv. agent/agente, student/studente.
      Dus agentenrokje, studentenkamer.

    We schrijven altijd –e

    • als het eerste deel geen meervoud heeft (rijst en tarwe hebben geen meervoud).
    • Bijv. rijstebrij, tarwebrood.
    • als het eerste deel alleen een meervoud op –s heeft (horloges, asperges).
      Bijv. horlogekast, aspergesoep.
    • als het eerste deel een meervoud op –s en op –en heeft (groenten of groentes, keuzen of keuzes).
      Bijv. groentesoep, keuzemogelijkheid.
    • als het eerste deel een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord is (drinken, branden, goed, lief)
      Bijv. drinkbroer, brandewijn, goedenacht, lieveheersbeestje.
    • als het eerste deel van de samenstelling iets “uniek” is, iets dat alleen maar in zijn soort bestaat (er is maar 1 zon en 1 maan).
      Bijv. zonneschijn, maneschijn.
    • als het eerste deel het tweede deel versterkt, en de gehele samenstelling is een bijvoeglijk naamwoord.
      Bijv. reuzeleuk (niet gewoon leuk maar reuzeleuk), apetrots (niet gewoon trots maar apetrots).
    • als één van de twee delen zijn oorspronkelijke betekenis verloren heeft.
      Bijv. papegaai (wat is “pape”?), schattebout (wat is “bout”?)

      • Bij versteende uitdrukkingen, waarbij je de delen niet meer als afzonderlijk herkent..
        Bijv. ruggespraak (maar ruggenwervel), kinnebak.

    Oefeningen

    • -e of -en?
    • Tussenletters -s, -e en -en
    • Tussenletters -s, -e en -en
    • Tussenklanken

    Start de oefeningen hier.

  • Afkortingen

    Afkortingen

    Begrippen

    Afkortingen

    Wanneer we een deel van het woord of woorden weglaten, maar we spreken de oorspronkelijke woorden uit.

    m.a.w. = met andere woorden

    Symbolen

    € = Euro; $ = dollar; C = koolstof, £ = pond

    Letterwoorden

    Woorden die gevormd woorden met de beginletters van andere woorden, we spreken enkel de letters van de afkorting uit.

    NAVO = Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

    Initiaalwoorden

    Afkorting waarvan we de letters afzonderlijk uitspreken

    pc = personal computer maar we spreken het uit als /peesee /.

    Verkortingen

    Verkortingen zijn net als gewone woorden, bij eigennamen schrijven we een hoofdletter.

    StuBru = Studio Brussel

    info = informatie

    Schrijfwijze

    Afkortingen

    Een afkorting schrijven we met punten. We gebruiken een hoofdletter als die in het oorspronkelijke woord ook voorkomt.

    p. – pagina, bijv. – bijvoorbeeld, blz. – bladzijde, mr. meester, H.K.H. – Hare Koninklijke Hoogheid

    Symbolen

    Symbolen schrijven we zonder punt. We gebruiken de hoofdletters of kleine letters die internationaal zijn afgesproken.

    km/h – kilometer per uur, s – seconde, EUR – euro, V – Volt, MB – Megabyte,

    Initiaalwoorden en letterwoorden

    Een initiaalwoord of letterwoord schrijven we zonder punten.

    pc – personal computer, btw – belasting over de toegevoegde waarde, NMBS – Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.

    Verkortingen

    Verkortingen spellen we als gewone woorden, enkel een hoofdletter als het om een eigennaam gaat dus.

    info – informatie, airco – airconditioning, hetero – heteroseksueel, StuBru – Studio Brussel.

    Oefeningen

  • Aaneenschrijven van woorden

    Aaneenschrijven van woorden

    Getallen

    De regels om getallen voluit te schrijven zijn heel eenvoudig.

    • Schrijf alle getallen tot en met duizend aan elkaar.
    • Na het woord “duizend” volgt een spatie.
    • Veelvouden van miljoen en miljard worden met een spatie geschreven.

    Bijv.

    • achthonderdtweeënzeventig.
    • Vijftienduizend driehonderdachtentwintig
    • Twaalf miljoen vijfhonderdvierendertigduizend honderdachtentwintig

    Oefening

    Samenstellingen

    • Samenstellingen worden in het Nederlands zo veel mogelijk aaneengeschreven.
      Pennenzak, eerstehulppost, schoolgebouw, eenrichtingsverkeer, donkerblauw, reuzegroot, Antwerpsesteenweg.
    • Als de samenstelling moeilijk te lezen is, dan kun je een koppelteken gebruiken.
      Zonne-energie, na-apen, gala-evenement, radio-oproep, zo-even.
    • Tussen gelijkwaardige delen in een samenstelling zet je ook een streepje als je de woorden van plaats kunt veranderen.
      een Brits-Frans bedrijf (want ook Frans-Brits bedrijf)
      een zwart-witfoto.(want ook een wit-zwartfoto)
      Maar privaatrechtelijk (want rechtelijkprivaat bestaat niet)
    • Als de samenstelling eindigt op een naam, dan zet je een streepje voor de naam.
      regering-Verhofstdadt, proces-Van Noppen.
    • Voor of achter een cijfer, letter of teken zet je een streepje.
      16-jarige, A4-formaat, een +-teken.
    • Voor of achter een initiaalwoord zetten we een streepje.
      tv-programma, pc-spel, pc-netwerk.
    • Afkortingen schrijven we aan het woord vast, tenzij ze met een hoofdletter beginnen.
      aidspatiënt, VRT-programma.
    • We zetten een streepje na de volgende elementen:
      • niet-, non-, bijna-, oud-, ex-, aspirant-, adjunct-, substituut-, chef-, kandidaat-, interim-, stagiair-, leerling-, assistent-, collega- of meester-
      • -generaal, -president, -testamentair, -verbaal, -militair
      • Sint- of St.-
        niet-roker, oud-burgemeester, substituut-procureur, collega-journalist, interim-leraar, directeur-generaal, proces-verbaal, Sint-Jozef, St.-Anna

    Samenstellingen met Engelse woorden

    • Engelse woorden vormen een speciaal geval. Hieronder vind je enkele regels om ze toch correct te schrijven.
    Online, downloaden, voicemail Als de woorden in het Nederlands vaak gebruikt worden, dan schrijven we ze aan elkaar.
    Body-art, drive-in, e-mail, pay-tv Gebruik een koppelteken om leesproblemen te voorkomen.
    Back-up, black-out, warm-up Gebruik ook een koppelteken als het woord met een voorzetsel eindigt dat met een klinker begint.
    Flashback, flashforward, comeback, playback. Als dat voorzetsel niet met een klinker begint, dan schrijf je het aaneen.

    Oefeningen

    Vaste woordcombinaties

    Een aantal vaste woordcombinaties kunnen zowel aan elkaar als met een spatie geschreven worden, naargelang van de betekenis. De volgende gevallen leiden bij heel veel taalgebruikers tot verwarring.

    allang

    Ik weet allang wat je van plan bent.

    al lang

    Hij staat al lang voor het rode licht.

    allesbehalve

    Hij is allesbehalve behulpzaam.

    alles behalve

    Je krijgt alles behalve mijn juwelen.

    evengoed

    Je kunt evengoed nog wat blijven.

    even goed

    Je voetbalt even goed als je grote broer.

    tekort (het)

    Het tekort op de begroting.

    te kort

    Ze hadden mensen te kort.

    tenminste

    Ik ga mee, als het tenminste niet sneeuwt.

    ten minste (op z’n minst)

    Ten minste houdbaar tot datum aan onderkant.

    tenslotte

    Je kunt tenslotte niet altijd winnen.

    ten slotte (tot slot)

    En het vierde punt, ten slotte, ben ik vergeten.

    teveel (het)

    Kinderen met ADHD hebben een teveel aan energie.

    te veel

    Te veel problemen blijven onopgelost.

    zoveel

    Dat kost vijf euro, zoveel!

    zo veel

    We proberen zo veel mogelijk mensen te redden.

    Oefeningen

    • Wat is de juiste spelling?
    • Maak samenstellingen
    • Aan elkaar of los?

     Start de oefeningen hier.

  • Klinkerbotsingen

    Klinkerbotsingen

    Wat is een klinkerbotsing?

    Wanneer 2 klinkers die samen een klank vormen in een woord naast elkaar staan, kunnen die tot een spraakverwarring leiden als we die klinkers toch apart moeten uitspreken. Er is een verschil tussen zoeven en zo-even of ruine en ruïne.

    Om spraakverwarring te vermijden gebruiken we een koppelteken of een deelteken.

    Koppelteken

    We gebruiken het koppelteken bij samenstellingen met een klinkerbotsing (twee woorden die samen 1 nieuw woord vormen).

    Bijv. gala-avond (galaavond is te moeilijk om te lezen), garage-eigenares, bureau-inhoud, gummi-jas.

    Deelteken

    We gebruiken het deelteken bij afleidingen met een klinkerbotsing en wanneer in het woord zelf klinkerbotsing optreedt.

    Bijv. poëzie, ruïne, patiënt, onderzeeër, beïnvloeden.

    Uitzonderingen

    Het achtervoegsel –achtig beschouwen we als een woord wanneer klinkerbotsing optreedt. We schrijven dus lila-achtig en opera-achtig.

    Oefeningen

    • Deelteken of koppelteken?
    • Schrijf de woorden correct met een deelteken of koppelteken.

    Start de oefeningen hier.

  • Woordtekens

    Woordtekens

    De apostrof of weglatingsteken

    Wanneer mag je een weglatingsteken gebruiken?

    • Een woord dat eindigt op 1 klinker (a, e, i, o, u, y) krijgt een weglatingsteken als we het meervoud maken of de bezitsvorm maken.
      Meervoud: bijv. 1 piano –> 2 piano’s, oma’s, auto’s, kiwi’s, baby’s.
      Bezitsvorm: de paraplu van opa –> opa’s paraplu, Leo’s fiets
      Deze regel geldt dus niet voor woorden die op ee, é, een doffe e of meerdere klinkers eindigen.
      Bijv. cafés, cadeaus, Belgiës provincies, tantes.
    • Een naam die eindigt op een sisklank krijgt een weglatingsteken in de bezitsvorm.
      de fiets van jan –> Jans fiets (+s), maar als het woord eindigt op een sisklank:
      Bijv. de gedichten van Claus –> Claus’ gedichten, Merckx’ fietsen, Lorenz’ theorie.
    • Als er een deel van een woord is weggelaten.
      Bijv. z’n, m’n, A’pen, 20 februari ’06, ‘s ochtends.
    • Afleidingen van letters, cijfers en afkortingen.
      Bijv. twee 8’en, vijf a’s, SP.A’er.
    • Bij verkleinwoorden op –y
      Bijv. baby’tje, pony’tje

    Oefeningen

    Accenttekens

    • In ingeburgerde (veel gebruikte) woorden uit het Frans schrijf je geen accenten, alleen op de e als dat nodig is voor de uitspraak.
      Met accent: café, comité, enquête, première.
      Zonder accent: etage, matinee, controle, depot.
    • In niet-ingeburgerde woorden blijven alle accenten staan.
      maître d’hôtel, déjà vu, tête-à-tête, maîtresse
    • Soms kun je ook een accent aigu plaatsen om een extra klemtoon te leggen.
      een pen of één pen, ik was er vóór jou, dat deed ik niét!

    Als je twijfelt: opzoeken!

    Oefening

    Deelteken of trema

    • Het deelteken gebruik je alleen maar om te voorkomen dat je een klank verkeerd zou lezen.
      De regel geldt voor 14 lettercombinaties: aa, ae, ai, au, ee, ei, eu, ie, oe, oi, oo, ou, ui, uu
      Bijv. maïs, Israël, zeeën, officiële, geüniformeerd, heroïne, zoölogie, ruïne.
    • Let op: deze regel geldt niet voor samenstellingen! Tussen samenstellingen met klinkerbotsingen zet je een koppelteken.
      Bijv. Zee-egel, na-apen, zonne-energie.
    • Je schrijft ook geen deelteken in de Franse uitgangen -ien, -ienne en de Latijnse uitgangen -eus, -eum.
      Bijv. elektricien, lesbienne, deus, museum.

    Oefeningen

    • Deelteken of trema?
    • Deelteken
    • Welk woord is fout geschreven?
    • Afleidingen maken

     Start de oefeningen hier.

  • Leestekens

    Leestekens

    Punt, komma en puntkomma

    De punt geeft een lange pauze weer, de komma een korte. De kommapunt zit daar ergens tussenin.

    Ik ben vandaag naar de rommelmarkt geweest.Ik vroeg de leerkracht of ik naar het toilet mocht.Gent 18 februari 2006
    10 000 000 Euro
    09 253 06 60
    We zetten een punt achter een mededelende zin.Bij een indirecte vraag komt ook een punt.Geen punt in:

    • Adressen
    • Datums
    • Getallen
    • Telefoonnummers
    Ze voelde zich moe; maar ze ging toch naar de les. Er is geen écht einde, zoals bij de punt. De 2 mededelingen hangen nauw samen.
    Voor Nederlands heb je een map, tussenbladen, schrijfgerief en een agenda nodig.
    De directeur, een streng man, hield streng toezicht.
    Hij stond op, liep naar het bord, nam krijt en tekende een prachtige zwaan.
    Je zet een komma:

    • Tussen de elementen van een opsomming.
    • Voor en na een bijstelling
    • Tussen korte, nevengeschikte zinnen

    Vraagteken, uitroepteken, haakjes en beletselteken

    Wil je nog een snoepje?
    Je wilt toch nog een snoepje?
    • Je schrijft een vraagteken na een directe vraag.
    Kom hier! Ga zitten! Luister! Wat een troep!
    • Je schrijft een uitroepteken na een uitroep, een bevel of een emotionele zin.
    Op school krijgen we veel vakken: Nederlands, Frans, Engels, wiskunde, aardrijkskunde, …
    Ze zou komen, maar …
    De deur ging krakend open… Een hand wam langzaam tevoorschijn. Een kille lach weerklonk door de villa… Ik luisterde aandachtig…
    • Als de opsomming nog niet af is, het beletselteken is hetzelfde als “enz.”
    • Als de gedachte niet af is.
    • Om de spanning in een verhaal te verhogen..
    De VN (Verenigde Naties) kwamen in actie.
    Gezocht: vingervlugge typist(e)
    We gebruiken haakjes

    • Om iets te verklaren
    • als er een keuzemogelijkheid is

     Oefening

    Dubbelpunt en aanhalingstekens

    DubbelpuntZe zei: “We gaan morgen naar zee.”Wat we zagen in de zoo: apen, olifanten, slangen, leeuwen, …
    • Voor een eindaanhaling in directe rede. Vergeet de hoofdletter niet!
    • Voor een opsomming
    Eindaanhaling
    Ze vroeg: “Mag ik het bord schoonvegen?”Beginaanhaling:
    “Mag ik het bord schoonvegen?” vroeg ze.
    “Laat me binnen!” riep hij kwaad.
    ‘Ik zou graag mijn opstel afgeven”, zei hij.Gesplitste aanhaling
    “Mag ik het bord afvegen,” vroeg ze, “want het is heel erg vuil.”“Geef me”, riep hij, “onmiddellijk die jas!”

     

    Geen aanhaling
    Hij zei dat hij naar zee ging.

    • Let op de dubbelpunt en hoofdletter.
    • ? en ! binnen de aanhaling
    • , buiten de aanhaling

     

     

    • De komma binnen de aanhaling want die staat ook in de zin: mag ik het bord afvegen, want het is vuil.
    • De komma staat buiten de aanhaling want in de zin:geef me onmiddellijk die jas, staat er ook geen komma.
    • Geen aanhaling bij indirecte rede.

    Oefeningen

    • Zet de leestekens waar het moet.
    • Zijn de zinnen juist of fout?

    Start hier de oefeningen.

  • Hoofdletters

    Hoofdletters

    Wanneer schrijf je een hoofdletter?

    Lees eenmaal de theorie aandachtig en maak dan de oefening.

    1. Het eerste woord van een zin.
      Ik ben gisteren naar de bioscoop geweest.
      Als de zin begint met een afgekapt woord, dan krijgt het tweede woord de hoofdletter.
      ’s Avonds gaan we meestal nog een wandelingetje maken.
    2. Het eerste woord van een aanhaling tussen aanhalingstekens.
      Hij zei: “Ga je mee?”
    3. De aanduidingen van personen en zaken die als heilig beschouwd worden.
      Bijv. : de Bijbel, de Heilige Maagd, het Rijk Gods, Allah, Mohammed, …
    4. De aanduidingen van vorstelijke personen, staatshoofden en ministers.
      Zijne Koninklijke Hoogheid, Hare Majesteit, de Prins van Luxemburg, de minister van Onderwijs.
    5. Eigennamen
      1. Voornamen, familienamen en bijnamen. Ook namen van historische, Bijbelse, mythologische en fictieve personen of wezens: David, Ahmed, Britney Spears, Alexander de Grote, …
      2. Namen van kerkelijke en officiële feestdagen: Kerstmis, Pasen, Dag van de Arbeid, …
      3. Aardrijkskundige namen en de afleidingen ervan: Gent, België, Turkse, Oost-Vlaams, …
      4. Namen van talen: Nederlands, Turks, Frans, …
      5. Namen van straten, lanen, parken en pleinen: Belfortstraat, Martelaarslaan, Citadelpark, Vrijdagsmarkt, …
      6. Namen van kranten, bladen en tijdschriften: Het Nieuwsblad, Humo, …
      7. Namen van sterren en sterrengroepen. Ook namen van sterrenbeelden, planeten en kometen: Mars, Jupiter, Grote Beer, Schorpioen, …
      8. Namen van schepen, vliegtuigen, treinen, boten en ruimtetuigen: Titanic, Boeing, Thalys, Apollo 13, …
      9. Namen van verkiezingen, instellingen, verenigingen, partijen, ministeries, commissies en andere lichamen: Het Hof van Cassatie, het Rode Kruis, de Verenigde Naties, …
      10. Namen van gebouwen, monumenten en standbeelden: het Vrijheidsbeeld
      11. De eerste letter van de titel van boeken, films, radio- of tv-programma’s, liedjes…: Harry Potter, Titanic, We are the champions,…
      12. Namen van firma’s, bedrijven en handelszaken: Blokker, Jetair, …
      13. Namen van merken en types: Mercedes, Nike, Ridley, Microsoft …
    6. Letterwoorden en afkortingen. Vb. Sabena, IBM, …
    7. Namen van historische gebeurtenissen
      Tweede Wereldoorlog, Golfoorlog,…

    Maar je schrijft niet met een hoofdletter …

    1. De aarde, de zon en de maan, als we die in niet-wetenschappelijke teksten gebruiken.
    2. Namen van dagen, maanden, seizoenen en windrichtingen.
    3. Aardrijkskundige namen die als soortnaam gebruikt worden
      Bijv. : cognac, een bordeaux, moezelwijn …
    4. Een afleiding van een persoonsnaam krijgt een kleine letter. Alleen als het voorwerp gemaakt is door de persoon krijgt het een hoofdletter.
      Bijv. freudiaans, marxisme, maar een Rembrandt en een Armani.
    5. Namen van geestelijke of culturele stromingen en verschijnselen, kloosterorden en alle afleidingen daarvan.
      de barok, het socialisme, de dominicanen, joden, islam …
    6. De samenstellingen met feestdagen
      kerstvakantie, paasmaandag, …
    7. Het eerste woord van een zin die met een cijfer begint.
      Bijv. : 8 is deelbaar door 4.
    8. Namen van tijdperken
      bijv. de middeleeuwen, de renaissance,…

    Oefeningen

    • Spelling van de hoofdletters
    • Hoofdletters
    • Zet een hoofdletter waar nodig
    • Hoofdletters

    Start hier de oefeningen.

     

  • Werkwoorden – Onvoltooid verleden tijd

    Werkwoorden – Onvoltooid verleden tijd

    Tekstversie

    Sterke en zwakke werkwoorden

    Het verleden is iets wat vroeger gebeurde: een minuut geleden, gisteren, vorige week, 15 jaar geleden, …

    Vergelijk de volgende werkwoorden.

    Infinitief Verleden tijd
    Sterven Hij stierf
    Lopen Ze liep
    Eten Wij aten
    Wachten Ik wachtte
    Wandelen Wij wandelden
    Luisteren Jullie luisterden

    Je merkt dat de eerste 3 werkwoorden van klank veranderen, we noemen dit sterke werkwoorden.

    De laatste 3 werkwoorden veranderen niet van klank maar worden met de stam + te(n) of stam + de(n) gevormd, we noemen ze zwakke werkwoorden.

    Sterke werkwoorden

    De schrijfwijze van de sterke werkwoorden in de verleden tijd is helemaal niet moeilijk. Je schrijft wat je hoort. Klik hier om een lijst met alle sterke en onregelmatige werkwoorden te openen. Gebruik die als je de oefeningen maakt.

    In de verleden tijd heb je dus maar 2 vormen: enkelvoud en meervoud. Dus nooit een –t- toevoegen!

    Oefening

    Zwakke werkwoorden

    De zwakke werkwoorden worden allemaal op dezelfde manier vervoegd in de verleden tijd. Bestudeer aandachtig de linkertak van het volgende schema. Print het eventueel ook uit en gebruik het bij de oefeningen.

    ovt

    Enkele moeilijke werkwoorden:

    bonzen –> ik bons maar stam is bonz –> dus bonsde

    racen –> ik race–> laatste klank is “s” –> dus racete

    Oefeningen

  • Werkwoorden – onvoltooid tegenwoordige tijd

    Werkwoorden – onvoltooid tegenwoordige tijd

    Tekstversie

    Stam en infinitief

    De infinitief is de vorm van het werkwoord die je in het woordenboek vindt: lopen, spelen, hebben, zwemmen. In het Nederlands eindigt die bijna altijd op –en.

    De stam van het werkwoord vorm je door het werkwoord in de volgende zin te plaatsen: ik………………………..nu.

    Bijv. Ik loop nu, ik speel nu, ik zwem nu.

    Oefeningen

    Vervoeging in de onvoltooid tegenwoordige tijd

    De pv vind je door een ja/nee-vraag te maken.

    Het onderwerp van een zin vind je door de vraag “wie of wat + pv?” te stellen.

    Bestudeer het onderstaande schema aandachtig. Daarna moet het mogelijk zijn om alle oefeningen correct op te lossen. Eventueel kun je dit schema printen.

    ott

    Er is 1 uitzondering op het schema: Als het onderwerp in de zin “je” of “jij” is, en als dat onderwerp achter de persoonsvorm staat, dan valt de “t” weg.
    Bijvoorbeeld: je lacht –> lach je MAAR je broer lacht –> lacht je broer?

    Ook: als je een bevel geeft –> alleen de stam. Kom hier, sta op, sluit het raam.

    ik werk STAM
    jij/je werkt STAM+t
    hij/zij werkt STAM+t
    u werkt stam+t
    wij/we werken infinitief
    jullie werken infinitief
    zij/ze werken infinitief

    Oefeningen

  • Medeklinkers

    Medeklinkers

    Spelling van de medeklinkers

    Stal – stallen, pet – petten, mus – mussen,
    vis – vissen, bos – bossen
    bakkerij, pakket
    Achter een gedekte klank schrijven we een dubbele medeklinker als er nog een doffe of heldere klinker op volgt.
    Land – landen, wild – wilde, tante, gilde
    Deu-ren, spe-len, ra-men, bo-men
    Gooi-de, hui-len, wei-de, kou-de
    Openen, lelijke
    Havik – haviken, monnik – monniken
    Geen verdubbeling:

    • Als er al twee medeklinkers staan.
    • Na een vrije klank
    • Na een tweeklank
    • Na een doffe klank
    • Als het woord op –ik eindigt
    Hond, kat, lip, dag, lach Je kunt de juiste eindmedeklinker horen door te verlengen: honden, katten, lippen, …
    Dief – dieven, schijf – schijven
    wrijf – wrijven
    lees – lezen, muis – muizen
    Bij woorden op –f en –s schrijven we een –v en –z als we verlengen.
    Let op dit is niet met alle woorden zo: kersen, fotografen.
    Gebruik een woordenboek als je twijfelt.

    Oefeningen

    K of c?

    Naarmate een uitheems (vreemd, uit een andere taal) woord zich aanpast aan het Nederlands, verandert ook de schrijfwijze. Maar je zoekt het woord best op in het groene boekje of op woordenlijst.org

    Soms schrijven we woorden die op elkaar lijken in de ene vorm met een k en in de andere vorm met een c.

    Bijv.

    • kritiek, kritisch – criticaster, criticus
    • praktijk, praktisch – practicus, practicum
    • klassiek – classicisme
    • klasseren – declasseren
    • vakantie – vacant
    • akkoord- accorderen

    Een lijst met moeilijke woorden om te studeren en enkele vuistregels:

    • We schrijven c in de uitheemse elementen -act, -actie, -actief, -ca, -caresse, -caris, -caster, -cateur, -catie, -cator, -catrice, -cus, -ect, -ectie, -ectief, -ica, -icus, -scoop, -uct of -uctie.
      Bijv. actief, actie, reactie, reactief, horeca, bibliothecaresse, bibliothecaris, criticaster, verificateur, fysica, academicus, insect, replica, historicus, microscoop, viaduct, bioscoop, locatie, product, productie, verificatie.
    • We schrijven c in de uitheemse elementen co-, col-, com-, con-, contra-, cor- aan het begin van een woord.
      Bijv. coalitie, co-educatie, co-ouderschap, coöperatie, college, colonne, combattief, conclusie, contact, contraproductief, contrarevolutie, correctie.
      Maar: komiek, koket, kolonie, konvooi en kosmos!
    • We schrijven doorgaans c in de uitheemse elementen cata-, cate-, crypt- of crypto-, loco-, macro- en micro-, necro-, oct- aan het begin van een woord.
      Bijv. catastrofe, categorisch, cryptisch, cryptologie, locomotief, microfoon, macro-economie, necrologie, octopus, octaaf.
      Maar: katalysator, katapult en oktober!
    • Het woorddeel elek– in woorden die verwant zijn met elektriciteit, schrijven we met k.
      Bijv. elektrisch, elektriciteit, elektronica, elektrocutie

    Studeren en opzoeken is dus de boodschap.

    Oefening

    K of qu?

    Soms schrijven we k, som kw en soms qu. Gebruik de woordenlijst. Leer alvast deze woorden uit je hoofd:

    aquarium, quasi, cheque, enquête, etiquette, kwadraat, kwaliteit, kwartier, etiket.

    x of ks?

    Gebruik de woordenlijst.

    boxer (hond), index, maximum, taxi, textiel, bokser (sportman), tekst, seks.

    t of th?

    In sommige vreemde woorden schrijven we /th/, maar

    • niet aan het eind van een woord
      atleet, labyrint
    • niet voor een medeklinker
      astma
    • niet na f of ch
      allochtoon

    ether, katholiek, methode, empathie, apotheek, bibliotheek, bibliothecaris, apotheker, theorie.

    Ook in sommige versteende Nederlandse woorden schrijven we nog /th/: bijv. thuis.

    Oefeningen

    • Wat is de juiste schrijfwijze?
    • C, cc of k?
    • k, c, ks, xs, xc, sc of s?
    • qu of k(w)?
    • vr of wr?

    Start de oefeningen hier.