Categorieën
Nederlands Spelling

Engelse werkwoorden

Engelse werkwoorden vervoegen

Woorden die we uit het Frans, Latijn of een andere taal overnemen, worden in de loop van de tijd aangepast aan de Nederlandse spelling.

Maar Engelse woorden behouden hun schrijfwijze!

De Stam

De stam van de Engelse werkwoorden, vormen we op dezelfde manier als in het Engels. Die stam gebruiken we dan verder als een Nederlands werkwoord.

Engels woord Nederlands werkwoord Stam
to fax faxen (ik) fax (nu)
to snooker snookeren (ik) snooker (nu)
to barbecue barbecueën (ik) barbecue (nu)

Oefening

Uitzonderingen

1. Als het Engelse werkwoord eindigt op een dubbele medeklinker, dan schrijven we één medeklinker als dat de uitspraak niet verandert!

Engels woord Nederlands werkwoord Stam
to cross crossen (ik) cros (nu)
to volleyball volleyballen (ik) volleybal (nu)
to paintball paintballen (ik) paintball (nu)

Enkel het werkwoord paintballen behoudt de dubbele ‘ll’ omdat anders de uitspraak van het woord verandert.

2. Als het Engelse woord een /oo/ -klank heeft in de laatste lettergreep, dan vernederlandsen we het werkwoord en schrijven we een dubbele oo.

Engels woord Nederlands werkwoord Stam
to promote promoten (ik) promoot (nu)
to score scoren (ik) scoor (nu)

 Oefening

Engelse werkwoorden vervoegen

Nadat je de stam van het Engelse werkwoord hebt gevonden, is de vervoeging eenvoudig. Je past dezelfde regels toe als bij de Nederlandse werkwoorden.

M.a.w. in de 2e en 3e persoon enkelvoud OTT: STAM + t.

In de OVT: STAM + te(n) of de(n) (‘t kofschip).

Het voltooid deelwoord: ge + stam + d of t (‘t kofschip)

infinitief stam 2e en 3e persoon OTT 1e persoon OVT voltooid deelwoord
faxen fax hij faxt ik faxte ik heb gefaxt
downloaden download hij downloadt ik downloadde ik heb gedownload
rugbyen rugby hij rugbyt ik rugbyde ik heb gerugbyd
hockeyen hockey hij hockeyt ik hockeyde ik heb gehockeyd
barbecueën barbecue hij barbecuet ik barbecuede ik heb gebarbecued

 Oefening

Categorieën
Nederlands Spelling

Werkwoorden – onvoltooid tegenwoordige tijd

Spelling van de werkwoorden – onvoltooid tegenwoordige tijd from Kevin Vermassen

Tekstversie

Stam en infinitief

De infinitief is de vorm van het werkwoord die je in het woordenboek vindt: lopen, spelen, hebben, zwemmen. In het Nederlands eindigt die bijna altijd op –en.

De stam van het werkwoord vorm je door het werkwoord in de volgende zin te plaatsen: ik………………………..nu.

Bijv. Ik loop nu, ik speel nu, ik zwem nu.

Oefeningen

Vervoeging in de onvoltooid tegenwoordige tijd

De pv vind je door een ja/nee-vraag te maken.

Het onderwerp van een zin vind je door de vraag “wie of wat + pv?” te stellen.

Bestudeer het onderstaande schema aandachtig. Daarna moet het mogelijk zijn om alle oefeningen correct op te lossen. Eventueel kun je dit schema printen.

ott

Er is 1 uitzondering op het schema: Als het onderwerp in de zin “je” of “jij” is, en als dat onderwerp achter de persoonsvorm staat, dan valt de “t” weg.
Bijvoorbeeld: je lacht –> lach je MAAR je broer lacht –> lacht je broer?

Ook: als je een bevel geeft –> alleen de stam. Kom hier, sta op, sluit het raam.

ik werk STAM
jij/je werkt STAM+t
hij/zij werkt STAM+t
u werkt stam+t
wij/we werken infinitief
jullie werken infinitief
zij/ze werken infinitief

Oefeningen

Categorieën
Nederlands Woordleer

Voornaamwoorden

Een voornaamwoord is een woord dat verwijst naar iets anders. Het woord waarnaar verwezen wordt, heeft een bepaalde zelfstandigheid (vaak een zelfstandig naamwoord).

  • De man loopt over straat. Hij loopt daar. (‘Hij’ verwijst naar ‘de man’)
  • De kinderen spelen in de woonkamer. Ze spelen met de blokjes.
  • Loïc trouwt met Josefien. Hij trouwt met haar.

Er zijn heel wat soorten voornaamwoorden.

Persoonlijke voornaamwoorden

Het persoonlijke voornaamwoord is het voornaamwoord dat in de plaats van een zelfstandige naamwoord (een mens, dier of ding) staat. Enkele voorbeelden:

  • Hij brengt haar naar huis.
  • Ik breng hem naar huis.
  • Wij brengen jullie naar huis.

We gebruiken verschillende voornaamwoorden, al naar gelang van de functie van het persoonlijk voornaamwoord.

Als we het persoonlijk voornaamwoord op de plaats van het onderwerp zetten gebruiken we:

Enkelvoud Meervoud
1e persoon Ik Wij, we
2e persoon Jij, je, u Jullie
3e persoon Hij, zij, ze, het Zij, ze

 

Als we het persoonlijk voornaamwoord op de plaats van het lijdend of meewerkend voorwerp zetten gebruiken we:

Enkelvoud Meervoud
1e persoon Mij, me Ons
2e persoon Jou, je, u Jullie
3e persoon hem, haar hen, ze

 Oefening

Wederkerend en wederkerig voornaamwoord

Wederkerende voornaamwoorden horen bij wederkerende werkwoorden, zoals zich wassen, zich herinneren, zich schamen… Enkele voorbeelden:

  • Hij wast zich elke ochtend.
  • Wij herinnerden ons helemaal niets.
  • Ik schaamde me diep.
Enkelvoud Meervoud
1e persoon me ons
2e persoon je, zich je, zich
3e persoon zich zich

Wederkerige voornaamwoorden zijn eenvoudiger te gebruiken. Er is er maar één: elkaar.

  • Arno en Julie vervelen elkaar.
  • Kennen jullie elkaar?

Oefening

Bezittelijk voornaamwoord

Het bezittelijk voornaamwoord is het voornaamwoord dat de relatie tussen de persoon en een zelfstandig naamwoord aangeeft. Bezittelijke voornaamwoorden staan, net als bijvoeglijke naamwoorden, altijd voor het zelfstandig naamwoord. Enkele voorbeelden:

  • Dat is mijn boek.
  • Hebben jullie haar nieuwe liedje al beluisterd?
  • Kom binnen in ons nieuws huis.
Enkelvoud Meervoud
1e persoon mijn ons, onze
2e persoon jouw, je, uw jullie, uw
3e persoon zijn, haar hun

Een moeilijker voorbeeld:

  • Hanae, je moet je kamer nog opruimen.

De eerste je is onderwerp, en is dus een persoonlijk voornaamwoord.

De tweede je duidt een bezit aan, “je kamer”, en is dus een bezittelijk voornaamwoord.

Oefening

Aanwijzende voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden verwijzen zowel naar personen als zaken, als naar de plaats waar die zich bevinden. Het zijn woorden als:

  • diegene, datgene,
  • die, dat, deze, dit,
  • eenzelfde, dezelfde, diezelfde, datzelfde, zulke, zo’n,
  • zodanig(e), dusdanig(e), soortgelijke, dergelijke, gindse,
  • zulks, zoiets

Vragende voornaamwoorden

Het vragend voornaamwoord is het voornaamwoord waarmee iets wordt gevraagd. Enkele voorbeelden:

  • Wie is dat?
  • Welke man?
  • Wat voor een spelletje is dat?
  • Hoe heb je dat gemaakt?

De meest voorkomende voornaamwoorden: welke, wat, wie, waar, hoe, wanneer, wat voor, wat voor een, welk(e)

Oefeningen

  • Welk vragend voornaamwoord moet je gebruiken?
  • Welk voornaamwoord is het?

Start hier de oefeningen.

Categorieën
Nederlands Zinsleer

Niet-werkwoordelijke aanvulling

Niet-werkwoordelijke aanvulling herkennen

Soms hoort er bij de persoonsvorm nog een woord dat geen werkwoord is. Dat stukje noemen we dan een niet-werkwoordelijke aanvulling (n.w.w.a.). De meest voorkomende soorten zijn (de pv is onderstreept):

  • Hij / belde / haar / nog eens / op. // –> Scheidbare werkwoorden als opbellen, afzeggen, uitnodigen, …
  • De kinderen / eten / met lange tanden. // –> Met lange tanden eten is een uitdrukking en vormt dus een geheel.
  • De jager / verschanste / zich / in het bos. // –> wederkerende voornaamwoorden horen bij werkwoorden als zich verschansen, zich wassen, zich bekeren, zich ontfermen, zich schamen, …
  • Ze / helpen / elkaar. // –> wederkerige voornaamwoorden.

Oefeningen