Categorie: Nederlands

Theorie & oefeningen Nederlands

  • Gezegde

    Gezegde

    Leer wat het gezegde van een zin is en leer het onderscheid maken tussen een werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde in onderstaande presentatie.

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

  • 2e editie handleiding darktable

    2e editie handleiding darktable

    Bijna 2,5 jaar geleden verscheen de eerste editie van mijn boek over darktable op mijn website. darktable kende ondertussen heel wat updates en upgrades. darktable 3.x was niet beschikbaar in het Nederlands, maar sinds versie 3.6 is er opnieuw een Nederlandse vertaling. Dus was de tijd rijp voor een 2e editie van mijn boek dat helemaal toegespitst is op darktable 3.6 en nieuwer.

    Dit boek is zowel gericht op beginners die hun eerste stappen in de digitale ontwikkelkamer zetten als op ervaren gebruikers die meer willen leren over darktable of een overstap van een ander programma zoals Lightroom maken. Beginners en nieuwkomers bij darktable lezen dit boek het best van hoofdstuk 1 tot 3 aandachtig om vertrouwd te geraken met de basistechnieken van het programma. Daarna kun je de inhoudsopgave gebruiken om meer te weten te komen over de onderwerpen die je het meest interesseren. Ervaren gebruikers kunnen het boek doorbladeren en de onderwerpen eruit pikken waarover ze willen bijleren.

    In de eerste drie hoofdstukken leer je de basis van het programma, na het lezen van deze hoofdstukken kun je darktable gebruiken voor het dagdagelijkse fotobeheer en om kleine bewerkingen te doen bij het ontwikkelen van de foto’s. In hoofdstuk 4 tot 8 verkennen we alle mogelijkheden die darktable biedt bij het beheren en bekijken van je bibliotheek en het ontwikkelen van jouw foto’s, maar bekijken we ook welke mogelijkheden de kaartweergave biedt en hoe je je foto’s best print. In hoofdstuk 9 leer je hoe je darktable kunt gebruiken om je camera te bedienen in de tetheringweergave. De laatste twee hoofdstukken zijn wat technischer en geven duiding bij alle opties die je kunt instellen in darktable en bieden je een blik achter de technische schermen.

    darktable 3.6 – Boek
    darktable 3.6 – Boek
  • Het handelend voorwerp

    Het handelend voorwerp

    In deze les leer je het handelend voorwerp herkennen. Om dat goed te kunnen moet je ook het onderscheid kunnen maken tussen actieve en passieve zinnen in het Nederlands, ook deze leerstof komt aan bod.

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

  • Hoofd- en bijzinnen

    Hoofd- en bijzinnen

    Op deze site kon je al leren over enkelvoudige en samengestelde zinnen. Samengestelde zinnen bestaan dan uit een combinatie van hoofd- en bijzinnen.

    In deze les leer je het verschil tussen een hoofd- en een bijzin.

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

  • Enkelvoudige en samengestelde zinnen

    Enkelvoudige en samengestelde zinnen

    In deze oefening leer je het verschil herkennen tussen enkelvoudige en samengestelde zinnen.

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

  • Verkleinwoorden

    Verkleinwoorden

    Hoe maak je de verkleinwoorden?

    1. Een verkleinwoord maak je meestal door het achtervoegsel –je toe te voegen.
      Huis – huisje, stad – stadje
    2. Na woorden eindigend op l, n, w of r  komt het achtervoegsel -tje.
      Stoel – stoeltje, schoen – schoentje, vrouw – vrouwtje, deur – deurtje
    3. Na woorden eindigend op m  komt het achtervoegsel -pje.
      boom – boompje
    4. Als het woord op –ng eindigt dan maak je het verkleinwoord met kje of etje
      koning – koninkje, leerling – leerlingetje.
    5. Als het woord op één vrije klinker eindigt dan verdubbel je die klinker.
      Oma – omaatje, café – cafeetje, villa – villaatje.
      Let op: als het woord op –y eindigt, dan schrijf je een weglatingsteken, zie hier.
      baby – bay’tje, pony – pony’tje.
    6. Als het woord een letter, cijfer of afkorting is, dan gebruik je een weglatingsteken.
      A4’tje, sms’je, p’tje.

    Oefeningen

    • Maak de verkleinwoorden
    • Zelfstandig naamwoord: verkleinwoord

    Klik hier om de oefeningen te starten.

  • De tussenletters

    De tussenletters

    Tussenletter ‘s’

    Vissersboot zul je nooit fout schrijven want je hoort de tussenletter ‘s’ tussen visser en boot.

    Schrijf dus steeds een ‘s’, als je er één hoort. Bijv. parlementslid, zondagskrant, stationsplein.

    Moeilijker wordt het wanneer je het woord dorpsschool moet schrijven, want schrijf je dan 1 ‘s’ of 2?

    De enige regel die je moet volgen is de regel van de analogie, je vervangt het laatste deel van het woord zodat je kunt horen of er een ‘s’ bijkomt of niet.

    Bijv.

    • Dorp + school is dorpsschool want het is ook dorpsplein.
    • Passagier + schip is passagiersschip want het is ook passagiersboot.
    • Geboorte + suiker is geboortesuiker want het is ook geboortekaartje

    Oefening

    Tussenletter ‘n’

    Tekstversie

    Deze regels gelden alleen voor de samenstellingen waarbij je tussen de twee delen een “e” hoort. Als we “en” schrijven zeggen we toch “e”. Bijv. reuzeleuk, reuzenstap, flessenmelk, zonnebloem.

    We schrijven altijd –en

    • als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op –n heeft.
      Druivenschil want druif heeft alleen druiven als meervoud.
      Bijv. boekenkast, toetsenbord, pennenzak, hondenhok, paardenbloem.
    • als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat zowel een mannelijke als vrouwelijke vorm heeft. Bijv. agent/agente, student/studente.
      Dus agentenrokje, studentenkamer.

    We schrijven altijd –e

    • als het eerste deel geen meervoud heeft (rijst en tarwe hebben geen meervoud).
    • Bijv. rijstebrij, tarwebrood.
    • als het eerste deel alleen een meervoud op –s heeft (horloges, asperges).
      Bijv. horlogekast, aspergesoep.
    • als het eerste deel een meervoud op –s en op –en heeft (groenten of groentes, keuzen of keuzes).
      Bijv. groentesoep, keuzemogelijkheid.
    • als het eerste deel een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord is (drinken, branden, goed, lief)
      Bijv. drinkbroer, brandewijn, goedenacht, lieveheersbeestje.
    • als het eerste deel van de samenstelling iets “uniek” is, iets dat alleen maar in zijn soort bestaat (er is maar 1 zon en 1 maan).
      Bijv. zonneschijn, maneschijn.
    • als het eerste deel het tweede deel versterkt, en de gehele samenstelling is een bijvoeglijk naamwoord.
      Bijv. reuzeleuk (niet gewoon leuk maar reuzeleuk), apetrots (niet gewoon trots maar apetrots).
    • als één van de twee delen zijn oorspronkelijke betekenis verloren heeft.
      Bijv. papegaai (wat is “pape”?), schattebout (wat is “bout”?)

      • Bij versteende uitdrukkingen, waarbij je de delen niet meer als afzonderlijk herkent..
        Bijv. ruggespraak (maar ruggenwervel), kinnebak.

    Oefeningen

    • -e of -en?
    • Tussenletters -s, -e en -en
    • Tussenletters -s, -e en -en
    • Tussenklanken

    Start de oefeningen hier.

  • Afkortingen

    Afkortingen

    Begrippen

    Afkortingen

    Wanneer we een deel van het woord of woorden weglaten, maar we spreken de oorspronkelijke woorden uit.

    m.a.w. = met andere woorden

    Symbolen

    € = Euro; $ = dollar; C = koolstof, £ = pond

    Letterwoorden

    Woorden die gevormd woorden met de beginletters van andere woorden, we spreken enkel de letters van de afkorting uit.

    NAVO = Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

    Initiaalwoorden

    Afkorting waarvan we de letters afzonderlijk uitspreken

    pc = personal computer maar we spreken het uit als /peesee /.

    Verkortingen

    Verkortingen zijn net als gewone woorden, bij eigennamen schrijven we een hoofdletter.

    StuBru = Studio Brussel

    info = informatie

    Schrijfwijze

    Afkortingen

    Een afkorting schrijven we met punten. We gebruiken een hoofdletter als die in het oorspronkelijke woord ook voorkomt.

    p. – pagina, bijv. – bijvoorbeeld, blz. – bladzijde, mr. meester, H.K.H. – Hare Koninklijke Hoogheid

    Symbolen

    Symbolen schrijven we zonder punt. We gebruiken de hoofdletters of kleine letters die internationaal zijn afgesproken.

    km/h – kilometer per uur, s – seconde, EUR – euro, V – Volt, MB – Megabyte,

    Initiaalwoorden en letterwoorden

    Een initiaalwoord of letterwoord schrijven we zonder punten.

    pc – personal computer, btw – belasting over de toegevoegde waarde, NMBS – Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.

    Verkortingen

    Verkortingen spellen we als gewone woorden, enkel een hoofdletter als het om een eigennaam gaat dus.

    info – informatie, airco – airconditioning, hetero – heteroseksueel, StuBru – Studio Brussel.

    Oefeningen

  • Aaneenschrijven van woorden

    Aaneenschrijven van woorden

    Getallen

    De regels om getallen voluit te schrijven zijn heel eenvoudig.

    • Schrijf alle getallen tot en met duizend aan elkaar.
    • Na het woord “duizend” volgt een spatie.
    • Veelvouden van miljoen en miljard worden met een spatie geschreven.

    Bijv.

    • achthonderdtweeënzeventig.
    • Vijftienduizend driehonderdachtentwintig
    • Twaalf miljoen vijfhonderdvierendertigduizend honderdachtentwintig

    Oefening

    Samenstellingen

    • Samenstellingen worden in het Nederlands zo veel mogelijk aaneengeschreven.
      Pennenzak, eerstehulppost, schoolgebouw, eenrichtingsverkeer, donkerblauw, reuzegroot, Antwerpsesteenweg.
    • Als de samenstelling moeilijk te lezen is, dan kun je een koppelteken gebruiken.
      Zonne-energie, na-apen, gala-evenement, radio-oproep, zo-even.
    • Tussen gelijkwaardige delen in een samenstelling zet je ook een streepje als je de woorden van plaats kunt veranderen.
      een Brits-Frans bedrijf (want ook Frans-Brits bedrijf)
      een zwart-witfoto.(want ook een wit-zwartfoto)
      Maar privaatrechtelijk (want rechtelijkprivaat bestaat niet)
    • Als de samenstelling eindigt op een naam, dan zet je een streepje voor de naam.
      regering-Verhofstdadt, proces-Van Noppen.
    • Voor of achter een cijfer, letter of teken zet je een streepje.
      16-jarige, A4-formaat, een +-teken.
    • Voor of achter een initiaalwoord zetten we een streepje.
      tv-programma, pc-spel, pc-netwerk.
    • Afkortingen schrijven we aan het woord vast, tenzij ze met een hoofdletter beginnen.
      aidspatiënt, VRT-programma.
    • We zetten een streepje na de volgende elementen:
      • niet-, non-, bijna-, oud-, ex-, aspirant-, adjunct-, substituut-, chef-, kandidaat-, interim-, stagiair-, leerling-, assistent-, collega- of meester-
      • -generaal, -president, -testamentair, -verbaal, -militair
      • Sint- of St.-
        niet-roker, oud-burgemeester, substituut-procureur, collega-journalist, interim-leraar, directeur-generaal, proces-verbaal, Sint-Jozef, St.-Anna

    Samenstellingen met Engelse woorden

    • Engelse woorden vormen een speciaal geval. Hieronder vind je enkele regels om ze toch correct te schrijven.
    Online, downloaden, voicemail Als de woorden in het Nederlands vaak gebruikt worden, dan schrijven we ze aan elkaar.
    Body-art, drive-in, e-mail, pay-tv Gebruik een koppelteken om leesproblemen te voorkomen.
    Back-up, black-out, warm-up Gebruik ook een koppelteken als het woord met een voorzetsel eindigt dat met een klinker begint.
    Flashback, flashforward, comeback, playback. Als dat voorzetsel niet met een klinker begint, dan schrijf je het aaneen.

    Oefeningen

    Vaste woordcombinaties

    Een aantal vaste woordcombinaties kunnen zowel aan elkaar als met een spatie geschreven worden, naargelang van de betekenis. De volgende gevallen leiden bij heel veel taalgebruikers tot verwarring.

    allang

    Ik weet allang wat je van plan bent.

    al lang

    Hij staat al lang voor het rode licht.

    allesbehalve

    Hij is allesbehalve behulpzaam.

    alles behalve

    Je krijgt alles behalve mijn juwelen.

    evengoed

    Je kunt evengoed nog wat blijven.

    even goed

    Je voetbalt even goed als je grote broer.

    tekort (het)

    Het tekort op de begroting.

    te kort

    Ze hadden mensen te kort.

    tenminste

    Ik ga mee, als het tenminste niet sneeuwt.

    ten minste (op z’n minst)

    Ten minste houdbaar tot datum aan onderkant.

    tenslotte

    Je kunt tenslotte niet altijd winnen.

    ten slotte (tot slot)

    En het vierde punt, ten slotte, ben ik vergeten.

    teveel (het)

    Kinderen met ADHD hebben een teveel aan energie.

    te veel

    Te veel problemen blijven onopgelost.

    zoveel

    Dat kost vijf euro, zoveel!

    zo veel

    We proberen zo veel mogelijk mensen te redden.

    Oefeningen

    • Wat is de juiste spelling?
    • Maak samenstellingen
    • Aan elkaar of los?

     Start de oefeningen hier.

  • Klinkerbotsingen

    Klinkerbotsingen

    Wat is een klinkerbotsing?

    Wanneer 2 klinkers die samen een klank vormen in een woord naast elkaar staan, kunnen die tot een spraakverwarring leiden als we die klinkers toch apart moeten uitspreken. Er is een verschil tussen zoeven en zo-even of ruine en ruïne.

    Om spraakverwarring te vermijden gebruiken we een koppelteken of een deelteken.

    Koppelteken

    We gebruiken het koppelteken bij samenstellingen met een klinkerbotsing (twee woorden die samen 1 nieuw woord vormen).

    Bijv. gala-avond (galaavond is te moeilijk om te lezen), garage-eigenares, bureau-inhoud, gummi-jas.

    Deelteken

    We gebruiken het deelteken bij afleidingen met een klinkerbotsing en wanneer in het woord zelf klinkerbotsing optreedt.

    Bijv. poëzie, ruïne, patiënt, onderzeeër, beïnvloeden.

    Uitzonderingen

    Het achtervoegsel –achtig beschouwen we als een woord wanneer klinkerbotsing optreedt. We schrijven dus lila-achtig en opera-achtig.

    Oefeningen

    • Deelteken of koppelteken?
    • Schrijf de woorden correct met een deelteken of koppelteken.

    Start de oefeningen hier.

  • Woordtekens

    Woordtekens

    De apostrof of weglatingsteken

    Wanneer mag je een weglatingsteken gebruiken?

    • Een woord dat eindigt op 1 klinker (a, e, i, o, u, y) krijgt een weglatingsteken als we het meervoud maken of de bezitsvorm maken.
      Meervoud: bijv. 1 piano –> 2 piano’s, oma’s, auto’s, kiwi’s, baby’s.
      Bezitsvorm: de paraplu van opa –> opa’s paraplu, Leo’s fiets
      Deze regel geldt dus niet voor woorden die op ee, é, een doffe e of meerdere klinkers eindigen.
      Bijv. cafés, cadeaus, Belgiës provincies, tantes.
    • Een naam die eindigt op een sisklank krijgt een weglatingsteken in de bezitsvorm.
      de fiets van jan –> Jans fiets (+s), maar als het woord eindigt op een sisklank:
      Bijv. de gedichten van Claus –> Claus’ gedichten, Merckx’ fietsen, Lorenz’ theorie.
    • Als er een deel van een woord is weggelaten.
      Bijv. z’n, m’n, A’pen, 20 februari ’06, ‘s ochtends.
    • Afleidingen van letters, cijfers en afkortingen.
      Bijv. twee 8’en, vijf a’s, SP.A’er.
    • Bij verkleinwoorden op –y
      Bijv. baby’tje, pony’tje

    Oefeningen

    Accenttekens

    • In ingeburgerde (veel gebruikte) woorden uit het Frans schrijf je geen accenten, alleen op de e als dat nodig is voor de uitspraak.
      Met accent: café, comité, enquête, première.
      Zonder accent: etage, matinee, controle, depot.
    • In niet-ingeburgerde woorden blijven alle accenten staan.
      maître d’hôtel, déjà vu, tête-à-tête, maîtresse
    • Soms kun je ook een accent aigu plaatsen om een extra klemtoon te leggen.
      een pen of één pen, ik was er vóór jou, dat deed ik niét!

    Als je twijfelt: opzoeken!

    Oefening

    Deelteken of trema

    • Het deelteken gebruik je alleen maar om te voorkomen dat je een klank verkeerd zou lezen.
      De regel geldt voor 14 lettercombinaties: aa, ae, ai, au, ee, ei, eu, ie, oe, oi, oo, ou, ui, uu
      Bijv. maïs, Israël, zeeën, officiële, geüniformeerd, heroïne, zoölogie, ruïne.
    • Let op: deze regel geldt niet voor samenstellingen! Tussen samenstellingen met klinkerbotsingen zet je een koppelteken.
      Bijv. Zee-egel, na-apen, zonne-energie.
    • Je schrijft ook geen deelteken in de Franse uitgangen -ien, -ienne en de Latijnse uitgangen -eus, -eum.
      Bijv. elektricien, lesbienne, deus, museum.

    Oefeningen

    • Deelteken of trema?
    • Deelteken
    • Welk woord is fout geschreven?
    • Afleidingen maken

     Start de oefeningen hier.

  • Leestekens

    Leestekens

    Punt, komma en puntkomma

    De punt geeft een lange pauze weer, de komma een korte. De kommapunt zit daar ergens tussenin.

    Ik ben vandaag naar de rommelmarkt geweest.Ik vroeg de leerkracht of ik naar het toilet mocht.Gent 18 februari 2006
    10 000 000 Euro
    09 253 06 60
    We zetten een punt achter een mededelende zin.Bij een indirecte vraag komt ook een punt.Geen punt in:

    • Adressen
    • Datums
    • Getallen
    • Telefoonnummers
    Ze voelde zich moe; maar ze ging toch naar de les. Er is geen écht einde, zoals bij de punt. De 2 mededelingen hangen nauw samen.
    Voor Nederlands heb je een map, tussenbladen, schrijfgerief en een agenda nodig.
    De directeur, een streng man, hield streng toezicht.
    Hij stond op, liep naar het bord, nam krijt en tekende een prachtige zwaan.
    Je zet een komma:

    • Tussen de elementen van een opsomming.
    • Voor en na een bijstelling
    • Tussen korte, nevengeschikte zinnen

    Vraagteken, uitroepteken, haakjes en beletselteken

    Wil je nog een snoepje?
    Je wilt toch nog een snoepje?
    • Je schrijft een vraagteken na een directe vraag.
    Kom hier! Ga zitten! Luister! Wat een troep!
    • Je schrijft een uitroepteken na een uitroep, een bevel of een emotionele zin.
    Op school krijgen we veel vakken: Nederlands, Frans, Engels, wiskunde, aardrijkskunde, …
    Ze zou komen, maar …
    De deur ging krakend open… Een hand wam langzaam tevoorschijn. Een kille lach weerklonk door de villa… Ik luisterde aandachtig…
    • Als de opsomming nog niet af is, het beletselteken is hetzelfde als “enz.”
    • Als de gedachte niet af is.
    • Om de spanning in een verhaal te verhogen..
    De VN (Verenigde Naties) kwamen in actie.
    Gezocht: vingervlugge typist(e)
    We gebruiken haakjes

    • Om iets te verklaren
    • als er een keuzemogelijkheid is

     Oefening

    Dubbelpunt en aanhalingstekens

    DubbelpuntZe zei: “We gaan morgen naar zee.”Wat we zagen in de zoo: apen, olifanten, slangen, leeuwen, …
    • Voor een eindaanhaling in directe rede. Vergeet de hoofdletter niet!
    • Voor een opsomming
    Eindaanhaling
    Ze vroeg: “Mag ik het bord schoonvegen?”Beginaanhaling:
    “Mag ik het bord schoonvegen?” vroeg ze.
    “Laat me binnen!” riep hij kwaad.
    ‘Ik zou graag mijn opstel afgeven”, zei hij.Gesplitste aanhaling
    “Mag ik het bord afvegen,” vroeg ze, “want het is heel erg vuil.”“Geef me”, riep hij, “onmiddellijk die jas!”

     

    Geen aanhaling
    Hij zei dat hij naar zee ging.

    • Let op de dubbelpunt en hoofdletter.
    • ? en ! binnen de aanhaling
    • , buiten de aanhaling

     

     

    • De komma binnen de aanhaling want die staat ook in de zin: mag ik het bord afvegen, want het is vuil.
    • De komma staat buiten de aanhaling want in de zin:geef me onmiddellijk die jas, staat er ook geen komma.
    • Geen aanhaling bij indirecte rede.

    Oefeningen

    • Zet de leestekens waar het moet.
    • Zijn de zinnen juist of fout?

    Start hier de oefeningen.