Onderwerp herkennen

Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

Het onderwerp (o.) is het zinsdeel dat bepaalt hoe de persoonsvorm er uitziet. Meestal (maar niet altijd!) verwijst het onderwerp naar iets of iemand dat/die een handeling uitvoert.

Je kunt het onderwerp herkennen op de volgende manieren (de pv is onderstreept):

  • Wie of wat + pv (+ w.w.a.+ n.w.w.a. + n.d.)?

    Jan / loopt / over straat. //
    Wie loopt? –> Jan

  • Je vindt de pv door een ja/nee-vraag te maken. Het onderwerp staat dan altijd achter de pv.

    Sharon en Ellen / gingen / samen / een dagje / shoppen. //
    Gingen / Sharon en Ellen / samen / een dagje / shoppen?//

  • De getalproef (congruentie): als je de persoonsvorm verandert van enkelvoud naar meervoud (of omgekeerd) dan verandert het onderwerp altijd mee van getal.

    Ik / wandel / naar huis. //
    Wij / wandelen / naar huis. //

Oefeningen

  • Zoek het onderwerp
  • Benoem de zinsdelen

Start hier de oefeningen.

4 Responses

Geef een reactie of stel een vraag.