Voorzetsel

Voorzetsels herkennen Een voorzetsel is een onverbuigbaar (je kunt er bijv. geen -e- aan toevoegen) woord zoals: aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, gedurende, in, langs, met, na, naar, naast, om, ondanks, onder, op, over, rond, per, sinds, te, tegen,tegenover, tijdens, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, wegens, zonder (volledige […]

Bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijke naamwoorden herkennen Een bijvoeglijk naamwoord (afkorting: b.n.) duidt een eigenschap of een kenmerk aan van het zelfstandig naamwoord waarbij het hoort. Het is een woord als: mooi(e), zacht(e), vreemd(e), raadselachtig(e), fluwelen, gouden, zwart(e), fantastisch(e). In tegenstelling tot een zelfstandig naamwoord duidt het bijvoeglijk naamwoord geen ding, persoon of dier aan, maar wordt het bij […]

Zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord herkennen Een zelfstandig naamwoord (z.n.) duidt een persoon, een dier, een zaak of een begrip aan je kunt er de of het voorzetten (maar niet altijd) Vaak hebben zelfstandige naamwoorden 2 vormen: enkelvoud (1 boek, pen) en meervoud (meerdere boeken, pennen). Ook staan ze vaak bij de woordjes de, het en een. Oefeningen […]

Bijwoordelijke bepaling

Bijwoordelijke bepaling herkennen De bijwoordelijke bepaling (b.w.b.) is een verzameling van alle overblijvende zinsdelen. Hieronder vind je enkele voorbeelden. Bijwoordelijke bepaling van plaats: Hij woont in Gent. Waar woont hij? –> In Gent. Bijwoordelijke bepaling van richting. We trokken verder naar het noorden. Waarheen trokken we verder? –> naar het noorden. Bijwoordelijke bepaling van tijd. […]

Voorzetselvoorwerp

Voorzetselvoorwerp herkennen Een voorzetselvoorwerp (v.z.v.) begint altijd met een voorzetsel (op, onder, naast, aan, met, naar, voor, in, …). Een voorzetselvoorwerp komt alleen voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel. Enkele voorbeelden (de pv staat onderstreept): Ik / twijfel / aan deze methode. // (twijfelen aan) Hij / verwondert / zich / over dat gedrag. […]

Meewerkend voorwerp

Meewerkend voorwerp herkennen Het meewerkend voorwerp (m.v.) vind je door de volgende vraag te stellen: aan/voor wie/wat + pv + o. + l.v. + (n.)w.w.a. Enkele voorbeelden (de pv is onderstreept): Hij / gaf / zijn vriendin / een kostbaar geschenk. // –> Aan wie/wat gaf hij een kostbaar geschenk? –> aan zijn vriendin. Chaïmae […]

Onderwerp

Onderwerp herkennen Het onderwerp (o.) is het zinsdeel dat bepaalt hoe de persoonsvorm er uitziet. Meestal (maar niet altijd!) verwijst het onderwerp naar iets of iemand dat/die een handeling uitvoert. Je kunt het onderwerp herkennen op de volgende manieren (de pv is onderstreept): Wie of wat + pv (+ w.w.a.+ n.w.w.a. + n.d.)? Jan / […]

Naamwoordelijk gezegde

Naamwoordelijk gezegde herkennen Soms hoort er bij de persoonsvorm een woord of woordgroep dat geen werkwoordelijke aanvulling is. Dit is het geval wanneer de pv een koppelwerkwoord is (zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen). De aanvulling, het naamwoordelijk deel (n.d.), hoort bij het werkwoord als de persoonsvorm en het onderwerp samen niets […]