Voorzetselvoorwerp herkennen

Een voorzetselvoorwerp (v.z.v.) begint altijd met een voorzetsel (op, onder, naast, aan, met, naar, voor, in, …).

Een voorzetselvoorwerp komt alleen voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel.

Enkele voorbeelden (de pv staat onderstreept):

Ik / twijfel / aan deze methode. // (twijfelen aan)

Hij / verwondert / zich / over dat gedrag. // (zich verwonderen over)

Ik / luister / niet graag / naar hem. // (luisteren naar)

Ik / waarschuwde / haar / voor de gevolgen. // (waarschuwen voor)

 

Let op: verwar een voorzetselvoorwerp niet met een bijwoordelijke bepaling.

Ik wandel in het park. –> Geen voorzetselvoorwerp want “wandelen in” is geen vaste combinatie, je kunt ook wandelen rond/door/naast het park.

Ze hingen aan de rekstok. –> Geen voorzetselvoorwerp, ze konden ook “naast” de rekstok hangen.

Oefeningen