Voorzetsels herkennen

Een voorzetsel is een onverbuigbaar (je kunt er bijv. geen -e- aan toevoegen) woord zoals:

aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, gedurende, in, langs, met, na, naar, naast, om, ondanks, onder, op, over, rond, per, sinds, te, tegen,tegenover, tijdens, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, wegens, zonder (volledige lijst op http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Nederlandse_voorzetsels)

Een voorzetsel geeft de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aan.

Bijv. Het kantoor is open vanaf tien uur. De fiets staat naast de brommer. Schilder je met een roller of een kwast? Hij liep de trap af (kan ook achter de woordgroep staan!), hij sprong het water in.

Een tip:

Als je het woord voor “de kooi” of “de vakantie” kunt zetten is het waarschijnlijk een voorzetsel.

Bijv. in de kooi, rond de kooi, voor de kooi, bij de kooi, met de kooi, onder de kooi, tijdens de vakantie, gedurende de vakantie, …

Oefening

Vaste voorzetsels

Heel wat werkwoorden en zelfstandige naamwoorden hebben ook een vast voorzetsel. Je zegt bijv. altijd verliefd zijn op iemand, verlangen naar een betere job, hopen op een betere toekomst, trots zijn op

Maak de oefeningen op de volgende pagina’s om te oefenen op de vaste voorzetsels.

Oefeningen

  • Vul het juiste vaste voorzetsel in
  • Vast voorzetsels

Start de oefeningen hier.