Kevin Vermassen

Lesideeën, activiteiten en oefeningen STEM, ICT & Nederlands

Categorie: Nederlands (Pagina 1 van 7)

Verkleinwoorden

Hoe maak je de verkleinwoorden?

  1. Een verkleinwoord maak je meestal door het achtervoegsel –je toe te voegen.
    Huis – huisje, stad – stadje
  2. Na woorden eindigend op l, n, w of r  komt het achtervoegsel -tje.
    Stoel – stoeltje, schoen – schoentje, vrouw – vrouwtje, deur – deurtje
  3. Na woorden eindigend op m  komt het achtervoegsel -pje.
    boom – boompje
  4. Als het woord op –ng eindigt dan maak je het verkleinwoord met kje of etje
    koning – koninkje, leerling – leerlingetje.
  5. Als het woord op één vrije klinker eindigt dan verdubbel je die klinker.
    Oma – omaatje, café – cafeetje, villa – villaatje.
    Let op: als het woord op –y eindigt, dan schrijf je een weglatingsteken, zie hier.
    baby – bay’tje, pony – pony’tje.
  6. Als het woord een letter, cijfer of afkorting is, dan gebruik je een weglatingsteken.
    A4’tje, sms’je, p’tje.

Oefeningen

  • Maak de verkleinwoorden
  • Zelfstandig naamwoord: verkleinwoord

Klik hier om de oefeningen te starten.

De tussenletters

Tussenletter ‘s’

Vissersboot zul je nooit fout schrijven want je hoort de tussenletter ‘s’ tussen visser en boot.

Schrijf dus steeds een ‘s’, als je er één hoort. Bijv. parlementslid, zondagskrant, stationsplein.

Moeilijker wordt het wanneer je het woord dorpsschool moet schrijven, want schrijf je dan 1 ‘s’ of 2?

De enige regel die je moet volgen is de regel van de analogie, je vervangt het laatste deel van het woord zodat je kunt horen of er een ‘s’ bijkomt of niet.

Bijv.

  • Dorp + school is dorpsschool want het is ook dorpsplein.
  • Passagier + schip is passagiersschip want het is ook passagiersboot.
  • Geboorte + suiker is geboortesuiker want het is ook geboortekaartje

Oefening

Tussenletter ‘n’

Tekstversie

Deze regels gelden alleen voor de samenstellingen waarbij je tussen de twee delen een “e” hoort. Als we “en” schrijven zeggen we toch “e”. Bijv. reuzeleuk, reuzenstap, flessenmelk, zonnebloem.

We schrijven altijd –en

  • als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op –n heeft.
    Druivenschil want druif heeft alleen druiven als meervoud.
    Bijv. boekenkast, toetsenbord, pennenzak, hondenhok, paardenbloem.
  • als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat zowel een mannelijke als vrouwelijke vorm heeft. Bijv. agent/agente, student/studente.
    Dus agentenrokje, studentenkamer.

We schrijven altijd –e

  • als het eerste deel geen meervoud heeft (rijst en tarwe hebben geen meervoud).
  • Bijv. rijstebrij, tarwebrood.
  • als het eerste deel alleen een meervoud op –s heeft (horloges, asperges).
    Bijv. horlogekast, aspergesoep.
  • als het eerste deel een meervoud op –s en op –en heeft (groenten of groentes, keuzen of keuzes).
    Bijv. groentesoep, keuzemogelijkheid.
  • als het eerste deel een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord is (drinken, branden, goed, lief)
    Bijv. drinkbroer, brandewijn, goedenacht, lieveheersbeestje.
  • als het eerste deel van de samenstelling iets “uniek” is, iets dat alleen maar in zijn soort bestaat (er is maar 1 zon en 1 maan).
    Bijv. zonneschijn, maneschijn.
  • als het eerste deel het tweede deel versterkt, en de gehele samenstelling is een bijvoeglijk naamwoord.
    Bijv. reuzeleuk (niet gewoon leuk maar reuzeleuk), apetrots (niet gewoon trots maar apetrots).
  • als één van de twee delen zijn oorspronkelijke betekenis verloren heeft.
    Bijv. papegaai (wat is “pape”?), schattebout (wat is “bout”?)

    • Bij versteende uitdrukkingen, waarbij je de delen niet meer als afzonderlijk herkent..
      Bijv. ruggespraak (maar ruggenwervel), kinnebak.

Oefeningen

  • -e of -en?
  • Tussenletters -s, -e en -en
  • Tussenletters -s, -e en -en
  • Tussenklanken

Start de oefeningen hier.

Afkortingen

Begrippen

Afkortingen

Wanneer we een deel van het woord of woorden weglaten, maar we spreken de oorspronkelijke woorden uit.

m.a.w. = met andere woorden

Symbolen

€ = Euro; $ = dollar; C = koolstof, £ = pond

Letterwoorden

Woorden die gevormd woorden met de beginletters van andere woorden, we spreken enkel de letters van de afkorting uit.

NAVO = Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

Initiaalwoorden

Afkorting waarvan we de letters afzonderlijk uitspreken

pc = personal computer maar we spreken het uit als /peesee /.

Verkortingen

Verkortingen zijn net als gewone woorden, bij eigennamen schrijven we een hoofdletter.

StuBru = Studio Brussel

info = informatie

Schrijfwijze

Afkortingen

Een afkorting schrijven we met punten. We gebruiken een hoofdletter als die in het oorspronkelijke woord ook voorkomt.

p. – pagina, bijv. – bijvoorbeeld, blz. – bladzijde, mr. meester, H.K.H. – Hare Koninklijke Hoogheid

Symbolen

Symbolen schrijven we zonder punt. We gebruiken de hoofdletters of kleine letters die internationaal zijn afgesproken.

km/h – kilometer per uur, s – seconde, EUR – euro, V – Volt, MB – Megabyte,

Initiaalwoorden en letterwoorden

Een initiaalwoord of letterwoord schrijven we zonder punten.

pc – personal computer, btw – belasting over de toegevoegde waarde, NMBS – Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.

Verkortingen

Verkortingen spellen we als gewone woorden, enkel een hoofdletter als het om een eigennaam gaat dus.

info – informatie, airco – airconditioning, hetero – heteroseksueel, StuBru – Studio Brussel.

Oefeningen

Aaneenschrijven van woorden

Getallen

De regels om getallen voluit te schrijven zijn heel eenvoudig.

  • Schrijf alle getallen tot en met duizend aan elkaar.
  • Na het woord “duizend” volgt een spatie.
  • Veelvouden van miljoen en miljard worden met een spatie geschreven.

Bijv.

  • achthonderdtweeënzeventig.
  • Vijftienduizend driehonderdachtentwintig
  • Twaalf miljoen vijfhonderdvierendertigduizend honderdachtentwintig

Oefening

Samenstellingen

  • Samenstellingen worden in het Nederlands zo veel mogelijk aaneengeschreven.
    Pennenzak, eerstehulppost, schoolgebouw, eenrichtingsverkeer, donkerblauw, reuzegroot, Antwerpsesteenweg.
  • Als de samenstelling moeilijk te lezen is, dan kun je een koppelteken gebruiken.
    Zonne-energie, na-apen, gala-evenement, radio-oproep, zo-even.
  • Tussen gelijkwaardige delen in een samenstelling zet je ook een streepje als je de woorden van plaats kunt veranderen.
    een Brits-Frans bedrijf (want ook Frans-Brits bedrijf)
    een zwart-witfoto.(want ook een wit-zwartfoto)
    Maar privaatrechtelijk (want rechtelijkprivaat bestaat niet)
  • Als de samenstelling eindigt op een naam, dan zet je een streepje voor de naam.
    regering-Verhofstdadt, proces-Van Noppen.
  • Voor of achter een cijfer, letter of teken zet je een streepje.
    16-jarige, A4-formaat, een +-teken.
  • Voor of achter een initiaalwoord zetten we een streepje.
    tv-programma, pc-spel, pc-netwerk.
  • Afkortingen schrijven we aan het woord vast, tenzij ze met een hoofdletter beginnen.
    aidspatiënt, VRT-programma.
  • We zetten een streepje na de volgende elementen:
    • niet-, non-, bijna-, oud-, ex-, aspirant-, adjunct-, substituut-, chef-, kandidaat-, interim-, stagiair-, leerling-, assistent-, collega- of meester-
    • -generaal, -president, -testamentair, -verbaal, -militair
    • Sint- of St.-
      niet-roker, oud-burgemeester, substituut-procureur, collega-journalist, interim-leraar, directeur-generaal, proces-verbaal, Sint-Jozef, St.-Anna

Samenstellingen met Engelse woorden

  • Engelse woorden vormen een speciaal geval. Hieronder vind je enkele regels om ze toch correct te schrijven.
Online, downloaden, voicemail Als de woorden in het Nederlands vaak gebruikt worden, dan schrijven we ze aan elkaar.
Body-art, drive-in, e-mail, pay-tv Gebruik een koppelteken om leesproblemen te voorkomen.
Back-up, black-out, warm-up Gebruik ook een koppelteken als het woord met een voorzetsel eindigt dat met een klinker begint.
Flashback, flashforward, comeback, playback. Als dat voorzetsel niet met een klinker begint, dan schrijf je het aaneen.

Oefeningen

Vaste woordcombinaties

Een aantal vaste woordcombinaties kunnen zowel aan elkaar als met een spatie geschreven worden, naargelang van de betekenis. De volgende gevallen leiden bij heel veel taalgebruikers tot verwarring.

allang

Ik weet allang wat je van plan bent.

al lang

Hij staat al lang voor het rode licht.

allesbehalve

Hij is allesbehalve behulpzaam.

alles behalve

Je krijgt alles behalve mijn juwelen.

evengoed

Je kunt evengoed nog wat blijven.

even goed

Je voetbalt even goed als je grote broer.

tekort (het)

Het tekort op de begroting.

te kort

Ze hadden mensen te kort.

tenminste

Ik ga mee, als het tenminste niet sneeuwt.

ten minste (op z’n minst)

Ten minste houdbaar tot datum aan onderkant.

tenslotte

Je kunt tenslotte niet altijd winnen.

ten slotte (tot slot)

En het vierde punt, ten slotte, ben ik vergeten.

teveel (het)

Kinderen met ADHD hebben een teveel aan energie.

te veel

Te veel problemen blijven onopgelost.

zoveel

Dat kost vijf euro, zoveel!

zo veel

We proberen zo veel mogelijk mensen te redden.

Oefeningen

  • Wat is de juiste spelling?
  • Maak samenstellingen
  • Aan elkaar of los?

 Start de oefeningen hier.

Klinkerbotsingen

Wat is een klinkerbotsing?

Wanneer 2 klinkers die samen een klank vormen in een woord naast elkaar staan, kunnen die tot een spraakverwarring leiden als we die klinkers toch apart moeten uitspreken. Er is een verschil tussen zoeven en zo-even of ruine en ruïne.

Om spraakverwarring te vermijden gebruiken we een koppelteken of een deelteken.

Koppelteken

We gebruiken het koppelteken bij samenstellingen met een klinkerbotsing (twee woorden die samen 1 nieuw woord vormen).

Bijv. gala-avond (galaavond is te moeilijk om te lezen), garage-eigenares, bureau-inhoud, gummi-jas.

Deelteken

We gebruiken het deelteken bij afleidingen met een klinkerbotsing en wanneer in het woord zelf klinkerbotsing optreedt.

Bijv. poëzie, ruïne, patiënt, onderzeeër, beïnvloeden.

Uitzonderingen

Het achtervoegsel –achtig beschouwen we als een woord wanneer klinkerbotsing optreedt. We schrijven dus lila-achtig en opera-achtig.

Oefeningen

  • Deelteken of koppelteken?
  • Schrijf de woorden correct met een deelteken of koppelteken.

Start de oefeningen hier.

Woordtekens

De apostrof of weglatingsteken

Wanneer mag je een weglatingsteken gebruiken?

  • Een woord dat eindigt op 1 klinker (a, e, i, o, u, y) krijgt een weglatingsteken als we het meervoud maken of de bezitsvorm maken.
    Meervoud: bijv. 1 piano –> 2 piano’s, oma’s, auto’s, kiwi’s, baby’s.
    Bezitsvorm: de paraplu van opa –> opa’s paraplu, Leo’s fiets
    Deze regel geldt dus niet voor woorden die op ee, é, een doffe e of meerdere klinkers eindigen.
    Bijv. cafés, cadeaus, Belgiës provincies, tantes.
  • Een naam die eindigt op een sisklank krijgt een weglatingsteken in de bezitsvorm.
    de fiets van jan –> Jans fiets (+s), maar als het woord eindigt op een sisklank:
    Bijv. de gedichten van Claus –> Claus’ gedichten, Merckx’ fietsen, Lorenz’ theorie.
  • Als er een deel van een woord is weggelaten.
    Bijv. z’n, m’n, A’pen, 20 februari ’06, ‘s ochtends.
  • Afleidingen van letters, cijfers en afkortingen.
    Bijv. twee 8’en, vijf a’s, SP.A’er.
  • Bij verkleinwoorden op –y
    Bijv. baby’tje, pony’tje

Oefeningen

Accenttekens

  • In ingeburgerde (veel gebruikte) woorden uit het Frans schrijf je geen accenten, alleen op de e als dat nodig is voor de uitspraak.
    Met accent: café, comité, enquête, première.
    Zonder accent: etage, matinee, controle, depot.
  • In niet-ingeburgerde woorden blijven alle accenten staan.
    maître d’hôtel, déjà vu, tête-à-tête, maîtresse
  • Soms kun je ook een accent aigu plaatsen om een extra klemtoon te leggen.
    een pen of één pen, ik was er vóór jou, dat deed ik niét!

Als je twijfelt: opzoeken!

Oefening

Deelteken of trema

  • Het deelteken gebruik je alleen maar om te voorkomen dat je een klank verkeerd zou lezen.
    De regel geldt voor 14 lettercombinaties: aa, ae, ai, au, ee, ei, eu, ie, oe, oi, oo, ou, ui, uu
    Bijv. maïs, Israël, zeeën, officiële, geüniformeerd, heroïne, zoölogie, ruïne.
  • Let op: deze regel geldt niet voor samenstellingen! Tussen samenstellingen met klinkerbotsingen zet je een koppelteken.
    Bijv. Zee-egel, na-apen, zonne-energie.
  • Je schrijft ook geen deelteken in de Franse uitgangen -ien, -ienne en de Latijnse uitgangen -eus, -eum.
    Bijv. elektricien, lesbienne, deus, museum.

Oefeningen

  • Deelteken of trema?
  • Deelteken
  • Welk woord is fout geschreven?
  • Afleidingen maken

 Start de oefeningen hier.

Leestekens

Punt, komma en puntkomma

De punt geeft een lange pauze weer, de komma een korte. De kommapunt zit daar ergens tussenin.

Ik ben vandaag naar de rommelmarkt geweest.Ik vroeg de leerkracht of ik naar het toilet mocht.Gent 18 februari 2006
10 000 000 Euro
09 253 06 60
We zetten een punt achter een mededelende zin.Bij een indirecte vraag komt ook een punt.Geen punt in:

  • Adressen
  • Datums
  • Getallen
  • Telefoonnummers
Ze voelde zich moe; maar ze ging toch naar de les. Er is geen écht einde, zoals bij de punt. De 2 mededelingen hangen nauw samen.
Voor Nederlands heb je een map, tussenbladen, schrijfgerief en een agenda nodig.
De directeur, een streng man, hield streng toezicht.
Hij stond op, liep naar het bord, nam krijt en tekende een prachtige zwaan.
Je zet een komma:

  • Tussen de elementen van een opsomming.
  • Voor en na een bijstelling
  • Tussen korte, nevengeschikte zinnen

Vraagteken, uitroepteken, haakjes en beletselteken

Wil je nog een snoepje?
Je wilt toch nog een snoepje?
  • Je schrijft een vraagteken na een directe vraag.
Kom hier! Ga zitten! Luister! Wat een troep!
  • Je schrijft een uitroepteken na een uitroep, een bevel of een emotionele zin.
Op school krijgen we veel vakken: Nederlands, Frans, Engels, wiskunde, aardrijkskunde, …
Ze zou komen, maar …
De deur ging krakend open… Een hand wam langzaam tevoorschijn. Een kille lach weerklonk door de villa… Ik luisterde aandachtig…
  • Als de opsomming nog niet af is, het beletselteken is hetzelfde als “enz.”
  • Als de gedachte niet af is.
  • Om de spanning in een verhaal te verhogen..
De VN (Verenigde Naties) kwamen in actie.
Gezocht: vingervlugge typist(e)
We gebruiken haakjes

  • Om iets te verklaren
  • als er een keuzemogelijkheid is

 Oefening

Dubbelpunt en aanhalingstekens

DubbelpuntZe zei: “We gaan morgen naar zee.”Wat we zagen in de zoo: apen, olifanten, slangen, leeuwen, …
  • Voor een eindaanhaling in directe rede. Vergeet de hoofdletter niet!
  • Voor een opsomming
Eindaanhaling
Ze vroeg: “Mag ik het bord schoonvegen?”Beginaanhaling:
“Mag ik het bord schoonvegen?” vroeg ze.
“Laat me binnen!” riep hij kwaad.
‘Ik zou graag mijn opstel afgeven”, zei hij.Gesplitste aanhaling
“Mag ik het bord afvegen,” vroeg ze, “want het is heel erg vuil.”“Geef me”, riep hij, “onmiddellijk die jas!”

 

Geen aanhaling
Hij zei dat hij naar zee ging.

  • Let op de dubbelpunt en hoofdletter.
  • ? en ! binnen de aanhaling
  • , buiten de aanhaling

 

 

  • De komma binnen de aanhaling want die staat ook in de zin: mag ik het bord afvegen, want het is vuil.
  • De komma staat buiten de aanhaling want in de zin:geef me onmiddellijk die jas, staat er ook geen komma.
  • Geen aanhaling bij indirecte rede.

Oefeningen

  • Zet de leestekens waar het moet.
  • Zijn de zinnen juist of fout?

Start hier de oefeningen.

Hoofdletters

Wanneer schrijf je een hoofdletter?

Lees eenmaal de theorie aandachtig en maak dan de oefening.

  1. Het eerste woord van een zin.
    Ik ben gisteren naar de bioscoop geweest.
    Als de zin begint met een afgekapt woord, dan krijgt het tweede woord de hoofdletter.
    ’s Avonds gaan we meestal nog een wandelingetje maken.
  2. Het eerste woord van een aanhaling tussen aanhalingstekens.
    Hij zei: “Ga je mee?”
  3. De aanduidingen van personen en zaken die als heilig beschouwd worden.
    Bijv. : de Bijbel, de Heilige Maagd, het Rijk Gods, Allah, Mohammed, …
  4. De aanduidingen van vorstelijke personen, staatshoofden en ministers.
    Zijne Koninklijke Hoogheid, Hare Majesteit, de Prins van Luxemburg, de minister van Onderwijs.
  5. Eigennamen
    1. Voornamen, familienamen en bijnamen. Ook namen van historische, Bijbelse, mythologische en fictieve personen of wezens: David, Ahmed, Britney Spears, Alexander de Grote, …
    2. Namen van kerkelijke en officiële feestdagen: Kerstmis, Pasen, Dag van de Arbeid, …
    3. Aardrijkskundige namen en de afleidingen ervan: Gent, België, Turkse, Oost-Vlaams, …
    4. Namen van talen: Nederlands, Turks, Frans, …
    5. Namen van straten, lanen, parken en pleinen: Belfortstraat, Martelaarslaan, Citadelpark, Vrijdagsmarkt, …
    6. Namen van kranten, bladen en tijdschriften: Het Nieuwsblad, Humo, …
    7. Namen van sterren en sterrengroepen. Ook namen van sterrenbeelden, planeten en kometen: Mars, Jupiter, Grote Beer, Schorpioen, …
    8. Namen van schepen, vliegtuigen, treinen, boten en ruimtetuigen: Titanic, Boeing, Thalys, Apollo 13, …
    9. Namen van verkiezingen, instellingen, verenigingen, partijen, ministeries, commissies en andere lichamen: Het Hof van Cassatie, het Rode Kruis, de Verenigde Naties, …
    10. Namen van gebouwen, monumenten en standbeelden: het Vrijheidsbeeld
    11. De eerste letter van de titel van boeken, films, radio- of tv-programma’s, liedjes…: Harry Potter, Titanic, We are the champions,…
    12. Namen van firma’s, bedrijven en handelszaken: Blokker, Jetair, …
    13. Namen van merken en types: Mercedes, Nike, Ridley, Microsoft …
  6. Letterwoorden en afkortingen. Vb. Sabena, IBM, …
  7. Namen van historische gebeurtenissen
    Tweede Wereldoorlog, Golfoorlog,…

Maar je schrijft niet met een hoofdletter …

  1. De aarde, de zon en de maan, als we die in niet-wetenschappelijke teksten gebruiken.
  2. Namen van dagen, maanden, seizoenen en windrichtingen.
  3. Aardrijkskundige namen die als soortnaam gebruikt worden
    Bijv. : cognac, een bordeaux, moezelwijn …
  4. Een afleiding van een persoonsnaam krijgt een kleine letter. Alleen als het voorwerp gemaakt is door de persoon krijgt het een hoofdletter.
    Bijv. freudiaans, marxisme, maar een Rembrandt en een Armani.
  5. Namen van geestelijke of culturele stromingen en verschijnselen, kloosterorden en alle afleidingen daarvan.
    de barok, het socialisme, de dominicanen, joden, islam …
  6. De samenstellingen met feestdagen
    kerstvakantie, paasmaandag, …
  7. Het eerste woord van een zin die met een cijfer begint.
    Bijv. : 8 is deelbaar door 4.
  8. Namen van tijdperken
    bijv. de middeleeuwen, de renaissance,…

Oefeningen

  • Spelling van de hoofdletters
  • Hoofdletters
  • Zet een hoofdletter waar nodig
  • Hoofdletters

Start hier de oefeningen.

 

Werkwoorden: gemengde oefeningen

Een mooie afsluiter van de theorie over de spelling van de werkwoorden of een goeie zelftest om te checken welke werkwoordstijden je best nog even herhaalt.

Start hier de oefeningen.

Voltooid en onvoltooid deelwoord

Wat is een voltooid deelwoord?

Het voltooid deelwoord vind je door de volgende zinnen aan te vullen met een werkwoord: ik heb…, ik ben …, het heeft…

Bijv. Ik heb gevoetbald, ik heb gewassen, ik ben verloren, het heeft geregend.

Voor sterke werkwoorden: klik hier voor de lijst.

Je schrijft geen fouten omdat je altijd hoort wat je moet schrijven: bijv. ik heb gegeten, ik heb gelopen, ik ben geweest.

Voor zwakke werkwoorden: ge + stam + d of t

werken –> ik heb gewerkt –> met een ‘t’ want in de verleden tijd is het werkte.
wandelen –> ik heb gewandeld –> met een ‘d’ want in de verleden tijd is het wandelde.

Oefeningen

Onvoltooid deelwoord

Het onvoltooid deelwoord duidt een handeling aan die nog bezig is.

Het onvoltooid deelwoord is heel makkelijk te vormen: het is altijd infinitief + d.

Lopend bereikte hij de auto.
Huilend liep het meisje door de gangen.
Hij bereikte al zwemmend de kust van Engeland.

Oefening

Pagina 1 of 7

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén