Categorie: Nederlands

Theorie & oefeningen Nederlands

  • Hoofdletters

    Hoofdletters

    Wanneer schrijf je een hoofdletter?

    Lees eenmaal de theorie aandachtig en maak dan de oefening.

    1. Het eerste woord van een zin.
      Ik ben gisteren naar de bioscoop geweest.
      Als de zin begint met een afgekapt woord, dan krijgt het tweede woord de hoofdletter.
      ’s Avonds gaan we meestal nog een wandelingetje maken.
    2. Het eerste woord van een aanhaling tussen aanhalingstekens.
      Hij zei: “Ga je mee?”
    3. De aanduidingen van personen en zaken die als heilig beschouwd worden.
      Bijv. : de Bijbel, de Heilige Maagd, het Rijk Gods, Allah, Mohammed, …
    4. De aanduidingen van vorstelijke personen, staatshoofden en ministers.
      Zijne Koninklijke Hoogheid, Hare Majesteit, de Prins van Luxemburg, de minister van Onderwijs.
    5. Eigennamen
      1. Voornamen, familienamen en bijnamen. Ook namen van historische, Bijbelse, mythologische en fictieve personen of wezens: David, Ahmed, Britney Spears, Alexander de Grote, …
      2. Namen van kerkelijke en officiële feestdagen: Kerstmis, Pasen, Dag van de Arbeid, …
      3. Aardrijkskundige namen en de afleidingen ervan: Gent, België, Turkse, Oost-Vlaams, …
      4. Namen van talen: Nederlands, Turks, Frans, …
      5. Namen van straten, lanen, parken en pleinen: Belfortstraat, Martelaarslaan, Citadelpark, Vrijdagsmarkt, …
      6. Namen van kranten, bladen en tijdschriften: Het Nieuwsblad, Humo, …
      7. Namen van sterren en sterrengroepen. Ook namen van sterrenbeelden, planeten en kometen: Mars, Jupiter, Grote Beer, Schorpioen, …
      8. Namen van schepen, vliegtuigen, treinen, boten en ruimtetuigen: Titanic, Boeing, Thalys, Apollo 13, …
      9. Namen van verkiezingen, instellingen, verenigingen, partijen, ministeries, commissies en andere lichamen: Het Hof van Cassatie, het Rode Kruis, de Verenigde Naties, …
      10. Namen van gebouwen, monumenten en standbeelden: het Vrijheidsbeeld
      11. De eerste letter van de titel van boeken, films, radio- of tv-programma’s, liedjes…: Harry Potter, Titanic, We are the champions,…
      12. Namen van firma’s, bedrijven en handelszaken: Blokker, Jetair, …
      13. Namen van merken en types: Mercedes, Nike, Ridley, Microsoft …
    6. Letterwoorden en afkortingen. Vb. Sabena, IBM, …
    7. Namen van historische gebeurtenissen
      Tweede Wereldoorlog, Golfoorlog,…

    Maar je schrijft niet met een hoofdletter …

    1. De aarde, de zon en de maan, als we die in niet-wetenschappelijke teksten gebruiken.
    2. Namen van dagen, maanden, seizoenen en windrichtingen.
    3. Aardrijkskundige namen die als soortnaam gebruikt worden
      Bijv. : cognac, een bordeaux, moezelwijn …
    4. Een afleiding van een persoonsnaam krijgt een kleine letter. Alleen als het voorwerp gemaakt is door de persoon krijgt het een hoofdletter.
      Bijv. freudiaans, marxisme, maar een Rembrandt en een Armani.
    5. Namen van geestelijke of culturele stromingen en verschijnselen, kloosterorden en alle afleidingen daarvan.
      de barok, het socialisme, de dominicanen, joden, islam …
    6. De samenstellingen met feestdagen
      kerstvakantie, paasmaandag, …
    7. Het eerste woord van een zin die met een cijfer begint.
      Bijv. : 8 is deelbaar door 4.
    8. Namen van tijdperken
      bijv. de middeleeuwen, de renaissance,…

    Oefeningen

    • Spelling van de hoofdletters
    • Hoofdletters
    • Zet een hoofdletter waar nodig
    • Hoofdletters

    Start hier de oefeningen.

     

  • Voltooid en onvoltooid deelwoord

    Voltooid en onvoltooid deelwoord

    Wat is een voltooid deelwoord?

    Het voltooid deelwoord vind je door de volgende zinnen aan te vullen met een werkwoord: ik heb…, ik ben …, het heeft…

    Bijv. Ik heb gevoetbald, ik heb gewassen, ik ben verloren, het heeft geregend.

    Voor sterke werkwoorden: klik hier voor de lijst.

    Je schrijft geen fouten omdat je altijd hoort wat je moet schrijven: bijv. ik heb gegeten, ik heb gelopen, ik ben geweest.

    Voor zwakke werkwoorden: ge + stam + d of t

    werken –> ik heb gewerkt –> met een ‘t’ want in de verleden tijd is het werkte.
    wandelen –> ik heb gewandeld –> met een ‘d’ want in de verleden tijd is het wandelde.

    Oefeningen

    Onvoltooid deelwoord

    Het onvoltooid deelwoord duidt een handeling aan die nog bezig is.

    Het onvoltooid deelwoord is heel makkelijk te vormen: het is altijd infinitief + d.

    Lopend bereikte hij de auto.
    Huilend liep het meisje door de gangen.
    Hij bereikte al zwemmend de kust van Engeland.

    Oefening

  • Engelse werkwoorden

    Engelse werkwoorden

    Engelse werkwoorden vervoegen

    Woorden die we uit het Frans, Latijn of een andere taal overnemen, worden in de loop van de tijd aangepast aan de Nederlandse spelling.

    Maar Engelse woorden behouden hun schrijfwijze!

    De Stam

    De stam van de Engelse werkwoorden, vormen we op dezelfde manier als in het Engels. Die stam gebruiken we dan verder als een Nederlands werkwoord.

    Engels woord Nederlands werkwoord Stam
    to fax faxen (ik) fax (nu)
    to snooker snookeren (ik) snooker (nu)
    to barbecue barbecueën (ik) barbecue (nu)

    Oefening

    Uitzonderingen

    1. Als het Engelse werkwoord eindigt op een dubbele medeklinker, dan schrijven we één medeklinker als dat de uitspraak niet verandert!

    Engels woord Nederlands werkwoord Stam
    to cross crossen (ik) cros (nu)
    to volleyball volleyballen (ik) volleybal (nu)
    to paintball paintballen (ik) paintball (nu)

    Enkel het werkwoord paintballen behoudt de dubbele ‘ll’ omdat anders de uitspraak van het woord verandert.

    2. Als het Engelse woord een /oo/ -klank heeft in de laatste lettergreep, dan vernederlandsen we het werkwoord en schrijven we een dubbele oo.

    Engels woord Nederlands werkwoord Stam
    to promote promoten (ik) promoot (nu)
    to score scoren (ik) scoor (nu)

     Oefening

    Engelse werkwoorden vervoegen

    Nadat je de stam van het Engelse werkwoord hebt gevonden, is de vervoeging eenvoudig. Je past dezelfde regels toe als bij de Nederlandse werkwoorden.

    M.a.w. in de 2e en 3e persoon enkelvoud OTT: STAM + t.

    In de OVT: STAM + te(n) of de(n) (‘t kofschip).

    Het voltooid deelwoord: ge + stam + d of t (‘t kofschip)

    infinitief stam 2e en 3e persoon OTT 1e persoon OVT voltooid deelwoord
    faxen fax hij faxt ik faxte ik heb gefaxt
    downloaden download hij downloadt ik downloadde ik heb gedownload
    rugbyen rugby hij rugbyt ik rugbyde ik heb gerugbyd
    hockeyen hockey hij hockeyt ik hockeyde ik heb gehockeyd
    barbecueën barbecue hij barbecuet ik barbecuede ik heb gebarbecued

     Oefening

  • Werkwoorden – Onvoltooid verleden tijd

    Werkwoorden – Onvoltooid verleden tijd

    Tekstversie

    Sterke en zwakke werkwoorden

    Het verleden is iets wat vroeger gebeurde: een minuut geleden, gisteren, vorige week, 15 jaar geleden, …

    Vergelijk de volgende werkwoorden.

    Infinitief Verleden tijd
    Sterven Hij stierf
    Lopen Ze liep
    Eten Wij aten
    Wachten Ik wachtte
    Wandelen Wij wandelden
    Luisteren Jullie luisterden

    Je merkt dat de eerste 3 werkwoorden van klank veranderen, we noemen dit sterke werkwoorden.

    De laatste 3 werkwoorden veranderen niet van klank maar worden met de stam + te(n) of stam + de(n) gevormd, we noemen ze zwakke werkwoorden.

    Sterke werkwoorden

    De schrijfwijze van de sterke werkwoorden in de verleden tijd is helemaal niet moeilijk. Je schrijft wat je hoort. Klik hier om een lijst met alle sterke en onregelmatige werkwoorden te openen. Gebruik die als je de oefeningen maakt.

    In de verleden tijd heb je dus maar 2 vormen: enkelvoud en meervoud. Dus nooit een –t- toevoegen!

    Oefening

    Zwakke werkwoorden

    De zwakke werkwoorden worden allemaal op dezelfde manier vervoegd in de verleden tijd. Bestudeer aandachtig de linkertak van het volgende schema. Print het eventueel ook uit en gebruik het bij de oefeningen.

    ovt

    Enkele moeilijke werkwoorden:

    bonzen –> ik bons maar stam is bonz –> dus bonsde

    racen –> ik race–> laatste klank is “s” –> dus racete

    Oefeningen

  • Werkwoorden – onvoltooid tegenwoordige tijd

    Werkwoorden – onvoltooid tegenwoordige tijd

    Tekstversie

    Stam en infinitief

    De infinitief is de vorm van het werkwoord die je in het woordenboek vindt: lopen, spelen, hebben, zwemmen. In het Nederlands eindigt die bijna altijd op –en.

    De stam van het werkwoord vorm je door het werkwoord in de volgende zin te plaatsen: ik………………………..nu.

    Bijv. Ik loop nu, ik speel nu, ik zwem nu.

    Oefeningen

    Vervoeging in de onvoltooid tegenwoordige tijd

    De pv vind je door een ja/nee-vraag te maken.

    Het onderwerp van een zin vind je door de vraag “wie of wat + pv?” te stellen.

    Bestudeer het onderstaande schema aandachtig. Daarna moet het mogelijk zijn om alle oefeningen correct op te lossen. Eventueel kun je dit schema printen.

    ott

    Er is 1 uitzondering op het schema: Als het onderwerp in de zin “je” of “jij” is, en als dat onderwerp achter de persoonsvorm staat, dan valt de “t” weg.
    Bijvoorbeeld: je lacht –> lach je MAAR je broer lacht –> lacht je broer?

    Ook: als je een bevel geeft –> alleen de stam. Kom hier, sta op, sluit het raam.

    ik werk STAM
    jij/je werkt STAM+t
    hij/zij werkt STAM+t
    u werkt stam+t
    wij/we werken infinitief
    jullie werken infinitief
    zij/ze werken infinitief

    Oefeningen

  • Verdelen in lettergrepen

    Verdelen in lettergrepen

    Open en gesloten lettergrepen

    Soms is het nodig om een woord te splitsen op het einde van een regel. Je kunt splitsen na een lettergreep.

    Bijv. spe-len bestaat uit 2 lettergrepen, cho-co-la-de bestaat uit 4 lettergrepen.

    Pa-pier, spe-len, zee,  lie-gen, li-ni-aal, lo-pen, vu-ren, roe-pen. Deze lettergrepen eindigen op een klinker, we noemen ze open lettergrepen.
    Bos-spel, kaar-ten, pis-te, ver-war-ming, bees-ten, les-sen. Deze lettergrepen eindigen op een medeklinker, we noemen ze gesloten lettergrepen.

     Oefening

    Splitsen in lettergrepen

    Waar moet je nu precies splitsen? De volgende regels geven je hierover een beetje meer uitleg.

    Lo-pen, spe-len, mu-ren, bo-ren, sla-pen. Als er één tussenmedeklinker is, dan gaat die naar de volgende lettergreep.
    Bos-sen, kas-ten, wer-ken, mis-ten, bus-sen.Opgelet:
    La-chen, biblio-theek
    Twee tussenmedeklinkers worden van elkaar gescheiden.-ch en –th worden niet van elkaar gescheiden en gaan allebei naar de volgende lettergreep.
    Bor-stel, amb-tenaar, Aziati-sche Als er 3 of meer medeklinkers na elkaar staan dan gaan er zoveel naar de volgende lettergreep als dat er aan het begin van een Nederlands woord kunnen staan.
    Pi-ano, be-amen, ui-er, koe-ien We splitsen tussen 2 klinkers, maar tweeklanken blijven samen.
    Ezel, piano Je mag nooit één klinker alleen zetten aan het begin of het einde van een woord!
    Let op:
    Pianootje –> piano-tje
    Als we verkleinwoorden splitsen dan schrijven we terug het oorspronkelijke woord.

    Oefening

    • Splits de woorden in lettergrepen
    • Splits de woorden in lettergrepen

    Start de oefeningen hier.

  • Medeklinkers

    Medeklinkers

    Spelling van de medeklinkers

    Stal – stallen, pet – petten, mus – mussen,
    vis – vissen, bos – bossen
    bakkerij, pakket
    Achter een gedekte klank schrijven we een dubbele medeklinker als er nog een doffe of heldere klinker op volgt.
    Land – landen, wild – wilde, tante, gilde
    Deu-ren, spe-len, ra-men, bo-men
    Gooi-de, hui-len, wei-de, kou-de
    Openen, lelijke
    Havik – haviken, monnik – monniken
    Geen verdubbeling:

    • Als er al twee medeklinkers staan.
    • Na een vrije klank
    • Na een tweeklank
    • Na een doffe klank
    • Als het woord op –ik eindigt
    Hond, kat, lip, dag, lach Je kunt de juiste eindmedeklinker horen door te verlengen: honden, katten, lippen, …
    Dief – dieven, schijf – schijven
    wrijf – wrijven
    lees – lezen, muis – muizen
    Bij woorden op –f en –s schrijven we een –v en –z als we verlengen.
    Let op dit is niet met alle woorden zo: kersen, fotografen.
    Gebruik een woordenboek als je twijfelt.

    Oefeningen

    K of c?

    Naarmate een uitheems (vreemd, uit een andere taal) woord zich aanpast aan het Nederlands, verandert ook de schrijfwijze. Maar je zoekt het woord best op in het groene boekje of op woordenlijst.org

    Soms schrijven we woorden die op elkaar lijken in de ene vorm met een k en in de andere vorm met een c.

    Bijv.

    • kritiek, kritisch – criticaster, criticus
    • praktijk, praktisch – practicus, practicum
    • klassiek – classicisme
    • klasseren – declasseren
    • vakantie – vacant
    • akkoord- accorderen

    Een lijst met moeilijke woorden om te studeren en enkele vuistregels:

    • We schrijven c in de uitheemse elementen -act, -actie, -actief, -ca, -caresse, -caris, -caster, -cateur, -catie, -cator, -catrice, -cus, -ect, -ectie, -ectief, -ica, -icus, -scoop, -uct of -uctie.
      Bijv. actief, actie, reactie, reactief, horeca, bibliothecaresse, bibliothecaris, criticaster, verificateur, fysica, academicus, insect, replica, historicus, microscoop, viaduct, bioscoop, locatie, product, productie, verificatie.
    • We schrijven c in de uitheemse elementen co-, col-, com-, con-, contra-, cor- aan het begin van een woord.
      Bijv. coalitie, co-educatie, co-ouderschap, coöperatie, college, colonne, combattief, conclusie, contact, contraproductief, contrarevolutie, correctie.
      Maar: komiek, koket, kolonie, konvooi en kosmos!
    • We schrijven doorgaans c in de uitheemse elementen cata-, cate-, crypt- of crypto-, loco-, macro- en micro-, necro-, oct- aan het begin van een woord.
      Bijv. catastrofe, categorisch, cryptisch, cryptologie, locomotief, microfoon, macro-economie, necrologie, octopus, octaaf.
      Maar: katalysator, katapult en oktober!
    • Het woorddeel elek– in woorden die verwant zijn met elektriciteit, schrijven we met k.
      Bijv. elektrisch, elektriciteit, elektronica, elektrocutie

    Studeren en opzoeken is dus de boodschap.

    Oefening

    K of qu?

    Soms schrijven we k, som kw en soms qu. Gebruik de woordenlijst. Leer alvast deze woorden uit je hoofd:

    aquarium, quasi, cheque, enquête, etiquette, kwadraat, kwaliteit, kwartier, etiket.

    x of ks?

    Gebruik de woordenlijst.

    boxer (hond), index, maximum, taxi, textiel, bokser (sportman), tekst, seks.

    t of th?

    In sommige vreemde woorden schrijven we /th/, maar

    • niet aan het eind van een woord
      atleet, labyrint
    • niet voor een medeklinker
      astma
    • niet na f of ch
      allochtoon

    ether, katholiek, methode, empathie, apotheek, bibliotheek, bibliothecaris, apotheker, theorie.

    Ook in sommige versteende Nederlandse woorden schrijven we nog /th/: bijv. thuis.

    Oefeningen

    • Wat is de juiste schrijfwijze?
    • C, cc of k?
    • k, c, ks, xs, xc, sc of s?
    • qu of k(w)?
    • vr of wr?

    Start de oefeningen hier.

  • Tweeklanken

    Tweeklanken

    Moeilijke en makkelijke tweeklanken

    Voor de meeste tweeklanken is er geen enkel probleem. Tussen aai, ooi, ieuw en eeuw hoor je een duidelijk verschil, je zult dus geen fouten schrijven.

    Moeilijker is het om het verschil tussen ei & ij en ou & au te horen. Hiervoor bestaan jammer genoeg geen regels. Je kunt het alleen maar leren door te oefenen. Dus maak snel de oefeningen.

    Oefeningen

    • ou of au?
    • ei of ij?
    • ei of ij?
    • au of ou?
    • ei of ij?

    Klik hier om de oefeningen te starten.

  • Klinkers

    Klinkers

    Een of twee klinkers?

    Spellen of spelen?

    vrije klank in een open lettergreep een klinker bijv. lo-pen
    in een gesloten lettergreep twee klinkers bijv. ver-staan
    gedekte klank altijd één klinker bijv. per-sen

    Oefening

    i, ie, y of ey?

    We schrijven altijd een -ie (vrije of lange [i]) in een gesloten lettergeep

    Dier, pier, zwier, stier

    We schrijven de vrije (of lange) [i] in een open lettergreep met -ie:

    Mie – ren, Tie – nen, fabrie – ken

    Dus ook op het einde van een woord

    Drie, kanarie, lelie

    Let op: ook een -ie bij samenstellingen of afleidingen van deze woorden!!

    Drieën, kanarievoer, leliebloem

    Maar we schrijven een -i:
    • In sommige bastaardwoorden en vreemde woorden (dat zijn woorden uit een andere taal) met een klemtoon op de –i: ski, lire, China, benzine, kilo, critici
    • In sommige bastaardwoorden en vreemde zonder een klemtoon op de –i: taxi, juni

    De [i] vormt dus een moeilijk geval. Soms schrijven we -i, soms -ie, soms -y of soms zelfs -ey! Het is te ingewikkeld om er regels voor op te geven. Daarom kan je beter de volgende woorden goed studeren!

    -i Alibi Gitaar Piramide
    Bikini Libië Ritme
    Cilinder Tiran Sfinx
    -ie Hij skiet (ik ski) Mozaïek Geolied
    Jezuïet
    -y Analyse Psycholoog Encyclopedie
    Baby Hobby Labyrint
    Sympathie Chrysant Hypotheek
    Mysterie Synagoge Pyjama
    Rugby Mythe Synoniem
    Cyclus Hyena Penalty
    Systeem Type Hygiëne
    Teddybeer Polyvalent Rally
    Dynamiet Hymne Pony
    Fysica Dynamisch Psychiater
    -ey Hockey Jockey volleybal

    Oefeningen

    • i of ie?
    • i of y?
    • i of ie?
    • i, ie of y?

    Klik hier om de oefeningen te starten.

    Enkele uitzonderingen

    De /ee/ aan het einde van een woord wordt altijd dubbel geschreven. Ook in een samenstelling behouden we de dubbele ee.

    bijv. zee – zeevis, twee – tweeling

    In het Frans kan een woord eindigen op é (café) of ée (matinée). In het Nederlands valt de é in de dubbele ée weg.

    Bijv. café en comité met é maar matinee, puree, prostituee, assemblee zonder é.

    De /oo/ voor ‘ch’ schrijven we altijd dubbel, dus ook in open lettergrepen.

    Bijv. goochelen, loochenen (liegen)

    De /uu/ voor ‘w’ schrijven we altijd enkel, dus ook in een gesloten lettergreep.

    Bijv. duw, schaduw, afschuwelijk.

    Oefeningen

  • Basisbegrippen van de Nederlandse spelling

    Basisbegrippen van de Nederlandse spelling

     

    Gelijkvormigheid en vormovereenkomst

    Gelijkvormigheid

    We schrijven een woord(deel) altijd op dezelfde manier. Ook al wordt het soms anders uitgesproken.

    Bijv. pad en niet pat, want het is ook padden.

    Vormovereenkomst

    We vormen onze woorden altijd op dezelfde manier.

    Bijv. stationsstraat en niet stationstraat, want het is ook stationsgebouw.

    Het is ook fietsster en niet fietster, want het is ook werkster.

    Let op! Er bestaan veel uitzonderingen!

    Het is muis en niet muiz, ook al is het grondwoord muizen.

    Oefening

    Oorsprong

    Vaak wordt de spelling bepaald door de oorsprong van het woord (een ander land of een andere tijd), ook al zijn we die oorsprong al lang vergeten.

    Bijv. café, whisky, restaurant, sandwich, …

    Kun je er zelf nog enkele bedenken?

    Bestudeer de volgende lijst woorden aandachtig. Er zijn er natuurlijk nog veel meer. Als je twijfelt: kijk in het groene boekje of op woordenlijst.org.

    Engelse leenwoorden

    online account manager sciencefiction
    voicemail sixpack e-mail pay-tv
    up-to-date lay-out plug-in intensive care
    babyboom babysitten badge barbecue
    beachvolleybal beamer bestseller blackmailen
    bodybuilder bodyguard boxershort briefing
    browser budget bulldozer callcenter
    chatten cd-writer checklist cheeseburger
    coach crashen cover database
    dealer display flashback game
    hacken icetea joystick junkfood
    mailing oneliner overheadprojector saven
    skateboard snowboard sticker upgraden

    Franse leenwoorden

    toilet trottoir chauffeur diner
    portemonnee premier dessert mayonaise
    visite boulevard mannequin carrosserie

    Oefening

  • Bijwoord

    Bijwoord

    In deze les leer je bijwoorden herkennen.

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.