Punt, komma en puntkomma

De punt geeft een lange pauze weer, de komma een korte. De kommapunt zit daar ergens tussenin.

Ik ben vandaag naar de rommelmarkt geweest.Ik vroeg de leerkracht of ik naar het toilet mocht.Gent 18 februari 2006
10 000 000 Euro
09 253 06 60
We zetten een punt achter een mededelende zin.Bij een indirecte vraag komt ook een punt.Geen punt in:

  • Adressen
  • Datums
  • Getallen
  • Telefoonnummers
Ze voelde zich moe; maar ze ging toch naar de les. Er is geen écht einde, zoals bij de punt. De 2 mededelingen hangen nauw samen.
Voor Nederlands heb je een map, tussenbladen, schrijfgerief en een agenda nodig.
De directeur, een streng man, hield streng toezicht.
Hij stond op, liep naar het bord, nam krijt en tekende een prachtige zwaan.
Je zet een komma:

  • Tussen de elementen van een opsomming.
  • Voor en na een bijstelling
  • Tussen korte, nevengeschikte zinnen

Vraagteken, uitroepteken, haakjes en beletselteken

Wil je nog een snoepje?
Je wilt toch nog een snoepje?
  • Je schrijft een vraagteken na een directe vraag.
Kom hier! Ga zitten! Luister! Wat een troep!
  • Je schrijft een uitroepteken na een uitroep, een bevel of een emotionele zin.
Op school krijgen we veel vakken: Nederlands, Frans, Engels, wiskunde, aardrijkskunde, …
Ze zou komen, maar …
De deur ging krakend open… Een hand wam langzaam tevoorschijn. Een kille lach weerklonk door de villa… Ik luisterde aandachtig…
  • Als de opsomming nog niet af is, het beletselteken is hetzelfde als “enz.”
  • Als de gedachte niet af is.
  • Om de spanning in een verhaal te verhogen..
De VN (Verenigde Naties) kwamen in actie.
Gezocht: vingervlugge typist(e)
We gebruiken haakjes

  • Om iets te verklaren
  • als er een keuzemogelijkheid is

 Oefening

Dubbelpunt en aanhalingstekens

DubbelpuntZe zei: “We gaan morgen naar zee.”Wat we zagen in de zoo: apen, olifanten, slangen, leeuwen, …
  • Voor een eindaanhaling in directe rede. Vergeet de hoofdletter niet!
  • Voor een opsomming
Eindaanhaling
Ze vroeg: “Mag ik het bord schoonvegen?”Beginaanhaling:
“Mag ik het bord schoonvegen?” vroeg ze.
“Laat me binnen!” riep hij kwaad.
‘Ik zou graag mijn opstel afgeven”, zei hij.Gesplitste aanhaling
“Mag ik het bord afvegen,” vroeg ze, “want het is heel erg vuil.”“Geef me”, riep hij, “onmiddellijk die jas!”

 

Geen aanhaling
Hij zei dat hij naar zee ging.

  • Let op de dubbelpunt en hoofdletter.
  • ? en ! binnen de aanhaling
  • , buiten de aanhaling

 

 

  • De komma binnen de aanhaling want die staat ook in de zin: mag ik het bord afvegen, want het is vuil.
  • De komma staat buiten de aanhaling want in de zin:geef me onmiddellijk die jas, staat er ook geen komma.
  • Geen aanhaling bij indirecte rede.

Oefeningen

  • Zet de leestekens waar het moet.
  • Zijn de zinnen juist of fout?

Start hier de oefeningen.