Kevin Vermassen

Lesideeën, activiteiten en oefeningen STEM, ICT & Nederlands

Categorie: Woordleer (Pagina 1 van 2)

Bijwoord

Bijwoord herkennen

Een bijwoord zegt iets over een willekeurig element (van de zin) dat geen zelfstandig naamwoord is (anders zou het een bijvoeglijk naamwoord zijn). Er zijn heel wat bijwoorden, eigenlijk worden alle woorden die niet in een andere categorie passen ingedeeld bij de bijwoorden.

Enkele voorbeelden:

  • bijwoorden van tijd: meteen, nu, onmiddellijk, nogmaals, net, …
  • bijwoorden van wijze: zachtjes, graag, misschien, heel, erg, niet, ook, …
  • bijwoorden van causaliteit (oorzaak, gevolg, voorwaarde): immers, trouwens, bovendien, zelfs, nochtans.

Enkele voorbeelden in een zin:

  • Hij schrijft veel in Wikipedia. (zegt iets meer over het werkwoord ‘schrijven’)
  • Het is een erg boeiende discussie. (zegt iets meer over het bijvoeglijk naamwoord ‘boeiende’)
  • Gerard liep zeer snel. (‘zeer’ zegt iets meer over een het bijwoord ‘snel’, ‘snel’ zegt iets meer over het werkwoord)
  • Ze werd slechts derde. (zegt iets meer over een telwoord)

 

Iets moeilijker:

Al naar gelang hun plaats in de zin, kan een woord een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord zijn. Enkele voorbeelden:

  • Jan is een aardige jongen. (‘aardig’ zegt iets meer over het zelfstandig naamwoord ‘jongen’ en is dus een bijvoeglijk naamwoord)
  • Hij schiet aardig op met zijn broer. (‘aardig’ zegt iets meer over het werkwoord ‘opschieten’ en is dus een bijwoord)
  • Dat is een snelle motorfiets. (bijvoeglijk naamwoord)
  • Hij fietste snel weg. (bijwoord bij wegfietsen)

Oefening

Overzicht woordsoorten

Met deze website leer je stapsgewijs de woordsoorten kennen. Elk hoofdstuk is voorzien van oefeningen die je de theorie beter laten begrijpen. Op het einde van deze cursus zul je de meeste woordsoorten en hun eigenschappen kennen.

Een taal goed onder de knie hebben is nog steeds heel belangrijk, zowel op school als in je latere job. Je gaat steeds correcte taal moeten kunnen gebruiken: een sollicitatiebrief, een uitnodiging, een e-mail, een artikeltje voor de schoolkrant, een stage aanvragen, … Maar om een taal echt goed te kennen moet je ook een aantal “termen” aanleren zoals voltooid deelwoord, voorzetsel, eigennaam, … Dit zijn zaken die in elke taal terugkomen. Dus deze cursus helpt je ook met je Frans, Engels en Latijn. Via de kennis van woordleer ga je het Nederlands beter begrijpen. Ook om correct te kunnen spellen is deze cursus heel nuttig.

Als je naar muziek luistert merk je dat er heel wat verschillende soorten bestaan: pop, r&b, rock, klassieke muziek, kleinkunst, … Elk liedje dat je hoort kun je bij één van deze soorten indelen.

Ook met woorden kun je dit doen, elk woord kun je in een soort indelen. In deze zin worden alle woordsoorten gebruikt:

Als verdorie aan de twee nieuwe computers maar niets hapert.

als Voegwoord
verdorie Tussenwerpsel
aan Voorzetsel
de Lidwoord
twee Telwoord
nieuwe Bijvoeglijk naamwoord
computers Zelfstandig naamwoord
maar Bijwoord
niets Voornaamwoord
hapert Werkwoord

Op de volgende pagina’s leer je hoe je de verschillende woordsoorten moet herkennen. Je vindt ook een heleboel oefeningen.

Nederlands

Frans

Engels

zelfstandig naamwoord

le nom the noun
onzijdig zn neutre neuter
mannelijk zn masculin masculine
vrouwelijk zn féminin feminine
het genus le genre gender
soortnaam non commun common noun
eigennaam le nom propre proper noun
meervoud pluriel plural
enkelvoud singulier singular
lidwoord l’article the article
bepaald lw article défini definite article
onbepaald lw article indéfini indefinite article
bijvoeglijk naamwoord l’adjectif the adjective
comparatief le comparatif comparative
superlatief le superlatif superlative
positief le positif the positive
voorzetsel la préposition the preposition
werkwoord le verbe the verb
regelmatig ww verbe régulier regular verb
onregelmatig ww verbe irrégulier irregular verb
infinitief l’infinitif the infinitive
stam le radical stem
uitgang la terminaison ending
zwak ww weak verb
sterk ww strong verb
samengesteld ww verbe composé compound verb
scheidbaar ww le verbe séparable
zelfstandig ww
hulpww auxiliaire auxiliary
koppelww le verbe attributif linking/copulative verb
actieve vorm la voix active active voice
passieve vorm la voix passive passive voice
voornaamwoord le pronom the pronoun
persoonlijk vnw pronom personnel personal pronoun
wederkerend vnw pronom réfléchi reflexive pronoun
wederkerig vnw pronom réciproque reciprocal pronoun
bezittelijk vnw pronom possessif possessive pronoun
aanwijzend vnw pronom démonstratif demonstrative pronoun
betrekkelijk vnw pronom relatif relative pronoun
vragend vnw pronom interrogatif interrogative pronoun
onbepaald vnw pronom indéfini indefinite pronoun
telwoord le numéral the numeral
hoofdtelwoord le nombre cardinal cardinal number
rangtelwoord le nombre ordinal ordinal number
bijwoord l’adverbe the adverb
voegwoord la conjonction the conjunction
nevenschikkend vw la conj. de coordination coordinating conjunction
onderschikkend vw la conj. de subordination subordinating conjunction
tussenwerpsel l’interjection the interjection

Herhalingsoefeningen woordleer

alle geziene theorie even te testen of om te zien welke onderwerpen je best nog even herhaalt, kun je deze herhalingsoefeningen maken.

Alle geziene woordsoorten vind je hier nog eens op een rijtje:

Tussenwerpsel

Tussenwerpsels herkennen

Een tussenwerpsel is een uitroep. Een woord dat een emotie (ai, auw) of een klank uitdrukt (krak, boem) of een woord dat aandacht probeert te trekken (pssst, hé). Vloeken en uitroepen als “gossie“, “verdorie“, “aha” en “warempel” zijn veelal tussenwerpsels. Het kan overal in de zin opduiken. Enkele voorbeelden.

  • Verdorie, ik ben mijn bril vergeten!
  • Ik ben verdorie mijn bril vergeten!
  • Ik ben mijn bril verdorie vergeten!
  • Ik ben mijn bril vergeten, verdorie!

Nog enkele tussenwerpsels op een rijtje: boem, krak, pats, hik, ring, miauw, woef, piep, hallo, zeg, hola, ach, och, bach, ocharme, tja, foei, …

Oefening

Voegwoord

Voegwoorden herkennen

Een voegwoord verbindt 2 zinnen of 2 woorden met elkaar.

Bijv. Dat zijn Mia en Luc. Hij was moe maar wou nog niet gaan slapen.

Voegwoorden kunnen de betekenis van een zin heel sterk beïnvloeden. Kijk maar eens naar de volgende voorbeelden.

  • Hij noch ik hielden van Hans.
  • Hij en ik hielden van Hans.
  • Hij of ik hield van Hans.

De meest voorkomende voegwoorden op een rijtje: en, of, alsof, maar, noch, dus, daarom, doordat, terwijl, omdat, aangezien, want, zodat, sinds, nadat, toen, zodra, als, hoewel, …

Oefening

Telwoorden

Telwoorden herkennen

Een telwoord geeft een aantal of een rang weer. Enkele voorbeelden:

  • Hij heeft twee kinderen.
  • Ze haalde de eerste plaats.
  • Dat heb ik je al honderd keer verteld.
  • Voor de derde keer kwam ze vandaag langs.

De bepaalde hoofdtelwoorden geven een precies aantal weer: een, twee, drie, vier, vijf, …

De onbepaalde hoofdtelwoorden geven geen precies aantal weer: veel, weinig, …

De bepaalde rangtelwoorden geven een precieze plaats weer: eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, …

De onbepaalde rangtelwoorden geven geen precieze plaats weer: zoveelste, laatste, middelste, …

Oefeningen

Voornaamwoorden

Een voornaamwoord is een woord dat verwijst naar iets anders. Het woord waarnaar verwezen wordt, heeft een bepaalde zelfstandigheid (vaak een zelfstandig naamwoord).

  • De man loopt over straat. Hij loopt daar. (‘Hij’ verwijst naar ‘de man’)
  • De kinderen spelen in de woonkamer. Ze spelen met de blokjes.
  • Loïc trouwt met Josefien. Hij trouwt met haar.

Er zijn heel wat soorten voornaamwoorden.

Persoonlijke voornaamwoorden

Het persoonlijke voornaamwoord is het voornaamwoord dat in de plaats van een zelfstandige naamwoord (een mens, dier of ding) staat. Enkele voorbeelden:

  • Hij brengt haar naar huis.
  • Ik breng hem naar huis.
  • Wij brengen jullie naar huis.

We gebruiken verschillende voornaamwoorden, al naar gelang van de functie van het persoonlijk voornaamwoord.

Als we het persoonlijk voornaamwoord op de plaats van het onderwerp zetten gebruiken we:

Enkelvoud Meervoud
1e persoon Ik Wij, we
2e persoon Jij, je, u Jullie
3e persoon Hij, zij, ze, het Zij, ze

 

Als we het persoonlijk voornaamwoord op de plaats van het lijdend of meewerkend voorwerp zetten gebruiken we:

Enkelvoud Meervoud
1e persoon Mij, me Ons
2e persoon Jou, je, u Jullie
3e persoon hem, haar hen, ze

 Oefening

Wederkerend en wederkerig voornaamwoord

Wederkerende voornaamwoorden horen bij wederkerende werkwoorden, zoals zich wassen, zich herinneren, zich schamen… Enkele voorbeelden:

  • Hij wast zich elke ochtend.
  • Wij herinnerden ons helemaal niets.
  • Ik schaamde me diep.
Enkelvoud Meervoud
1e persoon me ons
2e persoon je, zich je, zich
3e persoon zich zich

Wederkerige voornaamwoorden zijn eenvoudiger te gebruiken. Er is er maar één: elkaar.

  • Arno en Julie vervelen elkaar.
  • Kennen jullie elkaar?

Oefening

Bezittelijk voornaamwoord

Het bezittelijk voornaamwoord is het voornaamwoord dat de relatie tussen de persoon en een zelfstandig naamwoord aangeeft. Bezittelijke voornaamwoorden staan, net als bijvoeglijke naamwoorden, altijd voor het zelfstandig naamwoord. Enkele voorbeelden:

  • Dat is mijn boek.
  • Hebben jullie haar nieuwe liedje al beluisterd?
  • Kom binnen in ons nieuws huis.
Enkelvoud Meervoud
1e persoon mijn ons, onze
2e persoon jouw, je, uw jullie, uw
3e persoon zijn, haar hun

Een moeilijker voorbeeld:

  • Hanae, je moet je kamer nog opruimen.

De eerste je is onderwerp, en is dus een persoonlijk voornaamwoord.

De tweede je duidt een bezit aan, “je kamer”, en is dus een bezittelijk voornaamwoord.

Oefening

Aanwijzende voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden verwijzen zowel naar personen als zaken, als naar de plaats waar die zich bevinden. Het zijn woorden als:

  • diegene, datgene,
  • die, dat, deze, dit,
  • eenzelfde, dezelfde, diezelfde, datzelfde, zulke, zo’n,
  • zodanig(e), dusdanig(e), soortgelijke, dergelijke, gindse,
  • zulks, zoiets

Vragende voornaamwoorden

Het vragend voornaamwoord is het voornaamwoord waarmee iets wordt gevraagd. Enkele voorbeelden:

  • Wie is dat?
  • Welke man?
  • Wat voor een spelletje is dat?
  • Hoe heb je dat gemaakt?

De meest voorkomende voornaamwoorden: welke, wat, wie, waar, hoe, wanneer, wat voor, wat voor een, welk(e)

Oefeningen

  • Welk vragend voornaamwoord moet je gebruiken?
  • Welk voornaamwoord is het?

Start hier de oefeningen.

Werkwoorden

Werkwoorden herkennen

Het werkwoord is een woord dat in veel talen samen met het onderwerp en eventueel een (lijdend en meewerkend) voorwerp de basis vormt van een zin. Werkwoorden drukken een actie (doen, gooien), toestand (zijn, staan, drijven) of een gebeurtenis (sterven, glinsteren) uit.

Enkele voorbeelden: lopen, spelen, dansen, gooien, blijven, lijken, worden, schijnen, handelen, uitvoeren, gamen, kijken, luisteren, …

Enkele voorbeelden in een zin:

  • Hij wandelt naar school.
  • Hij heeft naar school gewandeld.
  • Hij had naar school kunnen wandelen.

Oefeningen

  • Hoeveel werkwoorden tellen deze zinnen?
  • Zijn deze woorden werkwoorden?

Start de oefeningen hier.

Scheidbare en onscheidbare werkwoorden

Als het werkwoord te verdelen is in aparte deeltjes die elk afzonderlijk ook als woord bestaan, dan noemen we zo een werkwoord een samengesteld werkwoord.

  • afwassen, want: af + wassen zijn twee bestaande woorden
  • voorkomen, want: voor + komen zijn twee apart bestaande woorden

Samengestelde werkwoorden kunnen scheidbaar of onscheidbaar zijn. Dat heeft gevolgen voor de vervoeging. Vergelijk:

  • De man wast de vuile borden af.
  • Hij heeft de vuile borden afgewassen.

Het werkwoord valt uiteen in twee delen, afwassen is dus een scheidbaar werkwoord.

  • Eet fruit en je voorkomt veel ziektes.
  • Door fruit te eten, heb ik al veel ziektes voorkomen.

Het werkwoord blijft in één woord staan, het is dus een onscheidbaar werkwoord.

Oefening

  • Scheidbare werkwoorden of niet?
  • Vul de werkwoorden in.

Start de oefeningen hier.

Zelfstandige werkwoorden, hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden

Zelfstandige werkwoorden kunnen als enig werkwoord in de zin voorkomen.

Voorbeeld:

  • Zij slaapt de hele dag.
  • Zij kijkt televisie.

Vergelijk nu met:

  • Ik word altijd zo moe van al dat werk.
  • Hij is een beetje ziek.
  • Hij blijft gelukkig op de eerste plaats.

Deze werkwoorden staan ook alleen in de zin, maar ze hebben geen betekenis op zich (worden, zijn, blijven). Werkwoorden als slapen en kijken hebben wel een betekenis. Worden, zijn en blijven hebben een aanvulling nodig, ze worden gekoppeld aan de rest van de zin om een betekenis te krijgen. We noemen ze dus koppelwerkwoorden.

  •  We hebben de hele dag gegamed.
  • Ze willen geen afscheid nemen.

Hebben en willen hebben ook geen betekenis op zich, zij krijgen hulp van een ander werkwoord om betekenis te krijgen. We noemen ze dus hulpwerkwoorden. ‘Hebben’ en ‘willen’ krijgen dus hulp van de zelfstandige werkwoorden ‘gamen’ en ”nemen’.

Iets moeilijker

Hij zal morgen worden geopereerd.

In deze zin heb je 2 hulpwerkwoorden (zullen en worden) die betekenis krijgen van het zelfstandig werkwoord “opereren”.

Hij is gisteren ziek geworden.

Hier wordt het werkwoord ‘zijn’ als hulpwerkwoord gebruikt. Het staat bij ‘worden’, dat zelf een koppelwerkwoord is, worden heeft op zich nog geen betekenis. Het krijgt betekenis via de rest van de zin.

Samenvattend

  • Zelfstandige werkwoorden kunnen alleen staan en hebben zelf een betekenis: spelen, wandelen, lopen, …
  • Koppelwerkwoorden krijgen hun betekenis via een ander zinsdeel.
  • Hulpwerkwoorden worden aangevuld met een of meerdere andere werkwoorden.

Oefening

Voorzetsel

Voorzetsels herkennen

Een voorzetsel is een onverbuigbaar (je kunt er bijv. geen -e- aan toevoegen) woord zoals:

aan, achter, af, behalve, beneden, bij, binnen, boven, buiten, door, gedurende, in, langs, met, na, naar, naast, om, ondanks, onder, op, over, rond, per, sinds, te, tegen,tegenover, tijdens, tot, tussen, uit, van, via, volgens, voor, wegens, zonder (volledige lijst op http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_Nederlandse_voorzetsels)

Een voorzetsel geeft de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aan.

Bijv. Het kantoor is open vanaf tien uur. De fiets staat naast de brommer. Schilder je met een roller of een kwast? Hij liep de trap af (kan ook achter de woordgroep staan!), hij sprong het water in.

Een tip:

Als je het woord voor “de kooi” of “de vakantie” kunt zetten is het waarschijnlijk een voorzetsel.

Bijv. in de kooi, rond de kooi, voor de kooi, bij de kooi, met de kooi, onder de kooi, tijdens de vakantie, gedurende de vakantie, …

Oefening

Vaste voorzetsels

Heel wat werkwoorden en zelfstandige naamwoorden hebben ook een vast voorzetsel. Je zegt bijv. altijd verliefd zijn op iemand, verlangen naar een betere job, hopen op een betere toekomst, trots zijn op

Maak de oefeningen op de volgende pagina’s om te oefenen op de vaste voorzetsels.

Oefeningen

  • Vul het juiste vaste voorzetsel in
  • Vast voorzetsels

Start de oefeningen hier.

Bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijke naamwoorden herkennen

Een bijvoeglijk naamwoord (afkorting: b.n.) duidt een eigenschap of een kenmerk aan van het zelfstandig naamwoord waarbij het hoort. Het is een woord als: mooi(e), zacht(e), vreemd(e), raadselachtig(e), fluwelen, gouden, zwart(e), fantastisch(e).

In tegenstelling tot een zelfstandig naamwoord duidt het bijvoeglijk naamwoord geen ding, persoon of dier aan, maar wordt het bij een zelfstandig naamwoord gevoegd, vandaar de naam bijvoeglijk naamwoord. Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets meer over een zelfstandig naamwoord. Het staat dan ook graag tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord.

Voorbeeld:

  • een mooie trui (hier staat mooie tussen het lidwoord een en het zelfstandig naamwoord trui).

  • de rode mooie trui (hier staan rode en mooie tussen het lidwoord de en het zelfstandig naamwoord trui).

Oefening

Trappen van vergelijking

Sommige bijvoeglijke naamwoorden duiden een eigenschap aan, die versterkt kan worden.

Bijv. Dat is een leuke game. Deze game is leuker. En deze is het leukst.

Het bijvoeglijk naamwoord “leuk” heeft dus een stellende (leuk), een vergelijkende (leuker) en een overtreffende trap (leukst).

Met moeilijkere woorden:

  • De stellende trap = positief
  • De vergelijkende trap = comparatief
  • De overtreffende trap = superlatief

De vergelijkende trap vormen we meestal met -er-: mooier, leuker, groter, …

De overtreffende trap vormen we meestal met -st-: het mooist, het leukst, het grootst, …

Natuurlijk zijn er ook uitzonderingen:

  • goed – beter – best
  • veel – meer – meest
  • weinig – minder – minst
  • graag – liever – liefst

Oefeningen

Pagina 1 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén