Kevin Vermassen

Lesideeën, activiteiten en oefeningen STEM, ICT & Nederlands

Categorie: Zinsleer (Pagina 2 van 2)

Zinsdelen

Zinsdelen herkennen

Als je tegen iemand iets wilt vertellen dan doe je dat in stukjes. Elk stukje bevat informatie. We moeten onze informatie opdelen omdat het anders te moeilijk wordt voor de luisteraar om het te begrijpen. Stel je maar eens een boek voor zonder leestekens. Daarom plaatsen we na elk stukje informatie een leesteken. Elk stukje informatie noemen we een zin.

Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school.

Ook een zin bestaat uit stukjes informatie. Elk stukje informatie in een zin noemen we een zinsdeel. Je kunt de zinsdelen van elkaar scheiden door een “/”. Het einde van een zin duiden we met “//” aan.

Jan / gaat  / elke ochtend / om halfacht / naar school. //

Je ziet dat een zinsdeel uit één woord (bijv. Jan) of uit meerdere woorden (bijv. elke ochtend) kan bestaan.

Zinsdelen kun je herkennen door de verplaatsingsproef. Elk woord of woordroep dat je kunt verplaatsen is een zinsdeel.

  • Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school.
  • Gaat Jan elke ochtend om halfacht naar school?
  • Elke ochtend gaat Jan om halfacht naar school.

Het woord “Jan” kun je makkelijk verplaatsen, het is dus een zinsdeel.

  • Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school
  • Gaat Jan elke ochtend om halfacht naar school?

Het woord “gaat” kun je makkelijk verplaatsen, het is dus ook een zinsdeel.

  • Elke Jan gaat ochtend om halfacht naar school.
  • Jan gaat ochtend elke om halfacht naar school.

Het woord “elke” kun je niet verplaatsen, het is dus geen zinsdeel.

  • Ochtend Jan gaat elke om halfacht naar school.
  • Jan gaat elke om halfacht ochtend naar school.

Het woord “ochtend” kun je niet verplaatsen, het is dus geen zinsdeel.

  • Elke ochtend gaat Jan om halfacht naar school.
  • Om halfacht gaat Jan elke ochtend naar school.

De woordgroep “elke ochtend” kan wel verplaatst worden, en is dus een zinsdeel.

Oefeningen

Zinsleer – overzicht

Als je een taalt leert en bestudeert kom je al snel in aanraking met begrippen als persoonsvorm (pv) en onderwerp (o). Het zijn begrippen die je zeker moet beheersen om de taal meester te worden.

Een goede kennis van de zinsleer zal je begrip van spelling vergroten. Je zal bijv. veel beter begrijpen waarom je ‘vindt’ soms met ‘d’ en soms met ‘dt’ moet schrijven.

In het onderdeel zinsleer ontdek je stap per stap de (vaakst gebruikte) zinsdelen. Wanneer zinsleer nieuw voor je is, volg je best de volgorde hieronder. Als je gewoon op zoek bent naar oefeningen over 1 bepaald onderdeel, kun je uiteraard enkel de onderwerpen aanklikken die jou interesseren.

Wanneer je alle oefeningen achter de rug hebt, zul je de belangrijkste zinsdelen makkelijk kunnen herkennen.

Nederlands

Frans

Engels

Zinsdelen membre de phrase part of sentence
Persoonsvorm le verbe conjugué finite verb
Werkwoordelijke rest

l’attribut
Naamwoordelijk gezegde l’attribut predicate
Samengestelde zin la phrase composée compound sentence
Enkelvoudige zin la phrase simple simple sentence
Onderwerp le sujet subject
Lijdend voorwerp complément d’objet direct direct object
Meewerkend voorwerp complément d’objet indirect indirect object
Voorzetselvoorwerp complément prépositionnel Prepositional object
Handelend voorwerp
Bijvoeglijke bepaling complément déterminatif attributive adjunct
Bijwoordelijke bepaling complément circonstanciel adverbial adjunct
Herhalingsoefeningen exercise de répétition refresher exercise

Pagina 2 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén