Leer wat het gezegde van een zin is en leer het onderscheid maken tussen een werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde in onderstaande presentatie.
Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

Leer wat het gezegde van een zin is en leer het onderscheid maken tussen een werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde in onderstaande presentatie.
Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

In deze les leer je het handelend voorwerp herkennen. Om dat goed te kunnen moet je ook het onderscheid kunnen maken tussen actieve en passieve zinnen in het Nederlands, ook deze leerstof komt aan bod.
Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

Om alle geziene theorie even te testen of om te zien welke onderwerpen je best nog even herhaalt, kun je deze herhalingsoefeningen maken.

Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.
Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.
De bijwoordelijke bepaling (b.w.b.) is een verzameling van alle overblijvende zinsdelen. Hieronder vind je enkele voorbeelden.
Hij woont in Gent.
Waar woont hij? –> In Gent.
We trokken verder naar het noorden.
Waarheen trokken we verder? –> naar het noorden.
Ik ga morgen naar de bioscoop.
Wanneer ga ik naar de bioscoop? –> morgen
Hij ging tergend traag naar buiten.
Hoe ging hij naar buiten? –> tergend traag.
Hij sloeg het slachtoffer met een hamer dood.
Waarmee sloeg hij het slachtoffer dood? –> met een hamer.

Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.
Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.
Een voorzetselvoorwerp (v.z.v.) begint altijd met een voorzetsel (op, onder, naast, aan, met, naar, voor, in, …).
Een voorzetselvoorwerp komt alleen voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel.
Enkele voorbeelden (de pv staat onderstreept):
Ik / twijfel / aan deze methode. // (twijfelen aan)
Hij / verwondert / zich / over dat gedrag. // (zich verwonderen over)
Ik / luister / niet graag / naar hem. // (luisteren naar)
Ik / waarschuwde / haar / voor de gevolgen. // (waarschuwen voor)
Let op: verwar een voorzetselvoorwerp niet met een bijwoordelijke bepaling.
Ik wandel in het park. –> Geen voorzetselvoorwerp want “wandelen in” is geen vaste combinatie, je kunt ook wandelen rond/door/naast het park.
Ze hingen aan de rekstok. –> Geen voorzetselvoorwerp, ze konden ook “naast” de rekstok hangen.

Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.
Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.
Het meewerkend voorwerp (m.v.) vind je door de volgende vraag te stellen:
aan/voor wie/wat + pv + o. + l.v. + (n.)w.w.a.
Enkele voorbeelden (de pv is onderstreept):
Hij / gaf / zijn vriendin / een kostbaar geschenk. // –> Aan wie/wat gaf hij een kostbaar geschenk? –> aan zijn vriendin.
Chaïmae / geeft / Jonathan / een boek. // –> Aan wie/wat geeft Chaïmae een boek? –> Aan Jonathan.
Hij / kocht / een leuk geschenkje / voor zijn vriendin. // –> Voor wie/wat kocht hij een leuk geschenkje? –> voor zijn vriendin.
Als de zin een naamwoordelijk deel bevat, dan kan er geen lijdend voorwerp maar wel een meewerkend voorwerp in de zin staan.

Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.
Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.
Het lijdend voorwerp (l.v.) vind je door de volgende vraag te stellen:
Voorbeelden (de pv is onderstreept):
Ik / at / de sappige peer / op. //–> Wat at ik op? –> De sappige peer.
Ik / heb / je telefoonnummer / gekregen. // –> Wat heb ik gekregen? –> je telefoonnummer
Hij / gaf / het / aan hem. // Wat gaf hij? –> Het
Wanneer in je zin een naamwoordelijk deel staat, dan kan er geen lijdend voorwerp meer zijn.

Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.
Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.
Soms hoort er bij de persoonsvorm een woord of woordgroep dat geen werkwoordelijke aanvulling is. Dit is het geval wanneer de pv een koppelwerkwoord is (zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen).
De aanvulling, het naamwoordelijk deel (n.d.), hoort bij het werkwoord als de persoonsvorm en het onderwerp samen niets betekenen, als er nog een stukje informatie ontbreekt. Je vindt het naamwoordelijk deel door de volgende vraag te stellen:
hoe/wat + persoonsvorm + onderwerp?
Bijv. Hij is ziek –> “Is” is een koppelwerkwoord, dus hoe of wat is hij? –> ziek.
Naamwoordelijk deel = ziek.
Naamwoordelijk gezegde = is ziek. (pv + n.d.)

Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.
Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.
Wanneer je persoonsvorm een hulpwerkwoord is dan heeft de persoonsvorm op zich geen betekenis. Die betekenis zit dan in 1 of meerdere werkwoorden die verderop in de zin staan. Deze aanvullende werkwoorden noemen we uiteraard de werkwoordelijke aanvulling (w.w.a.).
Enkele voorbeelden (de persoonsvorm staat onderstreept):
Ik / heb / 50 lengtes / gezwommen. // –> de werkwoordelijke aanvulling is een voltooid deelwoord.
Ik / kan / dit boek / in een uurtje / lezen. // –> de werkwoordelijke aanvulling is een infinitief.
Hij / heeft / die nieuwe cd / zeker / al 10 keer / beluisterd. // –> de werkwoordelijke aanvulling is een voltooid deelwoord.
Lag /je / al lang / te slapen? // –> de werkwoordelijke aanvulling is te+infinitief.
De andere leerlingen / zijn / over de oefening / aan het klagen. // –> de werkwoordelijke aanvulling is aan (het) +infinitief.
Ik / had / een veel leuker spel / gekocht kunnen hebben. // –> de werkwoordelijke aanvulling is een combinatie van één voltooid deelwoord en 2 infinitieven.
De werkwoordelijke aanvulling kan dus een voltooid deelwoord, een infinitief, een te + infinitief, een aan het + infinitief of een combinatie van deze vormen zijn.
Hij is geweigerd geworden –> Fout!
Hij is geweigerd. –> Goed!
Hij heeft haar nooit kunnen een cadeau geven. –> Fout!

Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.
Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.