Zinsdelen herkennen

Als je tegen iemand iets wilt vertellen dan doe je dat in stukjes. Elk stukje bevat informatie. We moeten onze informatie opdelen omdat het anders te moeilijk wordt voor de luisteraar om het te begrijpen. Stel je maar eens een boek voor zonder leestekens. Daarom plaatsen we na elk stukje informatie een leesteken. Elk stukje informatie noemen we een zin.

Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school.

Ook een zin bestaat uit stukjes informatie. Elk stukje informatie in een zin noemen we een zinsdeel. Je kunt de zinsdelen van elkaar scheiden door een “/”. Het einde van een zin duiden we met “//” aan.

Jan / gaat  / elke ochtend / om halfacht / naar school. //

Je ziet dat een zinsdeel uit één woord (bijv. Jan) of uit meerdere woorden (bijv. elke ochtend) kan bestaan.

Zinsdelen kun je herkennen door de verplaatsingsproef. Elk woord of woordroep dat je kunt verplaatsen is een zinsdeel.

  • Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school.
  • Gaat Jan elke ochtend om halfacht naar school?
  • Elke ochtend gaat Jan om halfacht naar school.

Het woord “Jan” kun je makkelijk verplaatsen, het is dus een zinsdeel.

  • Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school
  • Gaat Jan elke ochtend om halfacht naar school?

Het woord “gaat” kun je makkelijk verplaatsen, het is dus ook een zinsdeel.

  • Elke Jan gaat ochtend om halfacht naar school.
  • Jan gaat ochtend elke om halfacht naar school.

Het woord “elke” kun je niet verplaatsen, het is dus geen zinsdeel.

  • Ochtend Jan gaat elke om halfacht naar school.
  • Jan gaat elke om halfacht ochtend naar school.

Het woord “ochtend” kun je niet verplaatsen, het is dus geen zinsdeel.

  • Elke ochtend gaat Jan om halfacht naar school.
  • Om halfacht gaat Jan elke ochtend naar school.

De woordgroep “elke ochtend” kan wel verplaatst worden, en is dus een zinsdeel.

Oefeningen