Soms hoort er bij de persoonsvorm nog een woord dat geen werkwoord is. Dat stukje noemen we dan een niet-werkwoordelijke aanvulling (n.w.w.a.). De meest voorkomende soorten zijn (de pv is onderstreept):
- Hij / belde / haar / nog eens / op. // –> Scheidbare werkwoorden als opbellen, afzeggen, uitnodigen, …
- De kinderen / eten / met lange tanden. // –> Met lange tanden eten is een uitdrukking en vormt dus een geheel.
- De jager / verschanste / zich / in het bos. // –> wederkerende voornaamwoorden horen bij werkwoorden als zich verschansen, zich wassen, zich bekeren, zich ontfermen, zich schamen, …
- Ze / helpen / elkaar. // –> wederkerige voornaamwoorden.
Oefeningen
No responses yet