Voorzetselvoorwerp herkennen

Een voorzetselvoorwerp (v.z.v.) begint altijd met een voorzetsel (op, onder, naast, aan, met, naar, voor, in, …).

Een voorzetselvoorwerp komt alleen voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel.

Enkele voorbeelden (de pv staat onderstreept):

Ik / twijfel / aan deze methode. // (twijfelen aan)

Hij / verwondert / zich / over dat gedrag. // (zich verwonderen over)

Ik / luister / niet graag / naar hem. // (luisteren naar)

Ik / waarschuwde / haar / voor de gevolgen. // (waarschuwen voor)

 

Let op: verwar een voorzetselvoorwerp niet met een bijwoordelijke bepaling.

Ik wandel in het park. –> Geen voorzetselvoorwerp want “wandelen in” is geen vaste combinatie, je kunt ook wandelen rond/door/naast het park.

Ze hingen aan de rekstok. –> Geen voorzetselvoorwerp, ze konden ook “naast” de rekstok hangen.

Oefeningen


2 reacties

Eddy De Meyer · 7 december 2018 op 08:50

Dit was de opgave bij Taaldrop:

Ik stond uren op hem te wachten en wou net in de bus stappen toen hij, een beetje amechtig, af kwam lopen.

De correctie was dat hij ‘aan’ kwam lopen. Ok, maar ik maakte Bij Taaldrop blijkbaar een verkeerde opmerking. Ik dacht dat de uitdrukking was ‘OP de bus stappen’ en niet ‘IN’. Taaldrop gaf geen verklaring, maar raadde mij (nogal aanmatigend) aan om een woordenboek te raadplegen. Kunnen jullie klaarheid brengen?

Laat een reactie achter bij Kevin Reactie annuleren