Tag: Verkleinwoorden

  • Verkleinwoorden

    Verkleinwoorden

    Hoe maak je de verkleinwoorden?

    1. Een verkleinwoord maak je meestal door het achtervoegsel –je toe te voegen.
      Huis – huisje, stad – stadje
    2. Na woorden eindigend op l, n, w of r  komt het achtervoegsel -tje.
      Stoel – stoeltje, schoen – schoentje, vrouw – vrouwtje, deur – deurtje
    3. Na woorden eindigend op m  komt het achtervoegsel -pje.
      boom – boompje
    4. Als het woord op –ng eindigt dan maak je het verkleinwoord met kje of etje
      koning – koninkje, leerling – leerlingetje.
    5. Als het woord op één vrije klinker eindigt dan verdubbel je die klinker.
      Oma – omaatje, café – cafeetje, villa – villaatje.
      Let op: als het woord op –y eindigt, dan schrijf je een weglatingsteken, zie hier.
      baby – bay’tje, pony – pony’tje.
    6. Als het woord een letter, cijfer of afkorting is, dan gebruik je een weglatingsteken.
      A4’tje, sms’je, p’tje.

    Oefeningen

    • Maak de verkleinwoorden
    • Zelfstandig naamwoord: verkleinwoord

    Klik hier om de oefeningen te starten.