Categorie: Nederlands

Theorie & oefeningen Nederlands

  • Bijwoordelijke bepaling

    Bijwoordelijke bepaling

    Bijwoordelijke bepaling herkennen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    De bijwoordelijke bepaling (b.w.b.) is een verzameling van alle overblijvende zinsdelen. Hieronder vind je enkele voorbeelden.

    • Bijwoordelijke bepaling van plaats:

      Hij woont in Gent.
      Waar woont hij? –> In Gent.

    • Bijwoordelijke bepaling van richting.

      We trokken verder naar het noorden.
      Waarheen trokken we verder? –> naar het noorden.

    • Bijwoordelijke bepaling van tijd.

      Ik ga morgen naar de bioscoop.
      Wanneer ga ik naar de bioscoop? –> morgen

    • Bijwoordelijke bepaling van wijze

      Hij ging tergend traag naar buiten.
      Hoe ging hij naar buiten? –> tergend traag.

    • Bijwoordelijke bepaling van middel.

      Hij sloeg het slachtoffer met een hamer dood.
      Waarmee sloeg hij het slachtoffer dood? –> met een hamer.

    • Er zijn nog veel meer soorten bijwoordelijke bepalingen. Voor een vollediger lijst, ga naar http://nl.wikipedia.org/wiki/Bijwoordelijke_bepaling

    Oefening

  • Voorzetselvoorwerp

    Voorzetselvoorwerp

    Voorzetselvoorwerp herkennen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    Een voorzetselvoorwerp (v.z.v.) begint altijd met een voorzetsel (op, onder, naast, aan, met, naar, voor, in, …).

    Een voorzetselvoorwerp komt alleen voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel.

    Enkele voorbeelden (de pv staat onderstreept):

    Ik / twijfel / aan deze methode. // (twijfelen aan)

    Hij / verwondert / zich / over dat gedrag. // (zich verwonderen over)

    Ik / luister / niet graag / naar hem. // (luisteren naar)

    Ik / waarschuwde / haar / voor de gevolgen. // (waarschuwen voor)

    Let op: verwar een voorzetselvoorwerp niet met een bijwoordelijke bepaling.

    Ik wandel in het park. –> Geen voorzetselvoorwerp want “wandelen in” is geen vaste combinatie, je kunt ook wandelen rond/door/naast het park.

    Ze hingen aan de rekstok. –> Geen voorzetselvoorwerp, ze konden ook “naast” de rekstok hangen.

    Oefeningen

  • Meewerkend voorwerp

    Meewerkend voorwerp

    Meewerkend voorwerp herkennen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    Het meewerkend voorwerp (m.v.) vind je door de volgende vraag te stellen:

    aan/voor wie/wat + pv + o. + l.v. + (n.)w.w.a.

    Enkele voorbeelden (de pv is onderstreept):

    Hij / gaf / zijn vriendin / een kostbaar geschenk. // –> Aan wie/wat gaf hij een kostbaar geschenk? –> aan zijn vriendin.

    Chaïmae / geeft / Jonathan / een boek. // –> Aan wie/wat geeft Chaïmae een boek? –> Aan Jonathan.

    Hij / kocht / een leuk geschenkje / voor zijn vriendin. // –> Voor wie/wat kocht hij een leuk geschenkje? –> voor zijn vriendin.

    Tip:

    Als de zin een naamwoordelijk deel bevat, dan kan er geen lijdend voorwerp maar wel een meewerkend voorwerp in de zin staan.

    Oefeningen

    • Zoek het meewerkend voorwerp
    • Zoek de zinsdelen

    Start hier de oefeningen.

  • Lijdend voorwerp

    Lijdend voorwerp

    Lijdend voorwerp herkennen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    Het lijdend voorwerp (l.v.) vind je door de volgende vraag te stellen:

    • Wie of Wat + pv + 0 +(n.)w.w.a.

    Voorbeelden (de pv is onderstreept):

    Ik / at / de sappige peer / op. //–> Wat at ik op? –> De sappige peer.

    Ik / heb / je telefoonnummer / gekregen. // –> Wat heb ik gekregen? –> je telefoonnummer

    Hij / gaf / het / aan hem. // Wat gaf hij? –> Het

     Tip:

    Wanneer in je zin een naamwoordelijk deel staat, dan kan er geen lijdend voorwerp meer zijn.

    Oefeningen

    • Zoek het lijdend voorwerp
    • Benoem de zinsdelen

    Start hier de oefeningen.

  • Onderwerp

    Onderwerp

    Onderwerp herkennen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    Het onderwerp (o.) is het zinsdeel dat bepaalt hoe de persoonsvorm er uitziet. Meestal (maar niet altijd!) verwijst het onderwerp naar iets of iemand dat/die een handeling uitvoert.

    Je kunt het onderwerp herkennen op de volgende manieren (de pv is onderstreept):

    • Wie of wat + pv (+ w.w.a.+ n.w.w.a. + n.d.)?

      Jan / loopt / over straat. //
      Wie loopt? –> Jan

    • Je vindt de pv door een ja/nee-vraag te maken. Het onderwerp staat dan altijd achter de pv.

      Sharon en Ellen / gingen / samen / een dagje / shoppen. //
      Gingen / Sharon en Ellen / samen / een dagje / shoppen?//

    • De getalproef (congruentie): als je de persoonsvorm verandert van enkelvoud naar meervoud (of omgekeerd) dan verandert het onderwerp altijd mee van getal.

      Ik / wandel / naar huis. //
      Wij / wandelen / naar huis. //

    Oefeningen

    • Zoek het onderwerp
    • Benoem de zinsdelen

    Start hier de oefeningen.

  • Naamwoordelijk gezegde

    Naamwoordelijk gezegde

    Naamwoordelijk gezegde herkennen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    Soms hoort er bij de persoonsvorm een woord of woordgroep dat geen werkwoordelijke aanvulling is. Dit is het geval wanneer de pv een koppelwerkwoord is (zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen).

    De aanvulling, het naamwoordelijk deel (n.d.), hoort bij het werkwoord als de persoonsvorm en het onderwerp samen niets betekenen, als er nog een stukje informatie ontbreekt. Je vindt het naamwoordelijk deel door de volgende vraag te stellen:

    hoe/wat + persoonsvorm + onderwerp?

    Bijv. Hij is ziek –> “Is” is een koppelwerkwoord, dus hoe of wat is hij? –> ziek.

    Naamwoordelijk deel = ziek.
    Naamwoordelijk gezegde = is ziek. (pv + n.d.)

    Oefeningen

  • Niet-werkwoordelijke aanvulling

    Niet-werkwoordelijke aanvulling

    Niet-werkwoordelijke aanvulling herkennen

    Soms hoort er bij de persoonsvorm nog een woord dat geen werkwoord is. Dat stukje noemen we dan een niet-werkwoordelijke aanvulling (n.w.w.a.). De meest voorkomende soorten zijn (de pv is onderstreept):

    • Hij / belde / haar / nog eens / op. // –> Scheidbare werkwoorden als opbellen, afzeggen, uitnodigen, …
    • De kinderen / eten / met lange tanden. // –> Met lange tanden eten is een uitdrukking en vormt dus een geheel.
    • De jager / verschanste / zich / in het bos. // –> wederkerende voornaamwoorden horen bij werkwoorden als zich verschansen, zich wassen, zich bekeren, zich ontfermen, zich schamen, …
    • Ze / helpen / elkaar. // –> wederkerige voornaamwoorden.

    Oefeningen

  • Werkwoordelijk gezegde

    Werkwoordelijk gezegde

    Werkwoordelijk gezegde herkennen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    Wanneer je persoonsvorm een hulpwerkwoord is dan heeft de persoonsvorm op zich geen betekenis. Die betekenis zit dan in 1 of meerdere werkwoorden die verderop in de zin staan. Deze aanvullende werkwoorden noemen we uiteraard de werkwoordelijke aanvulling (w.w.a.).

    Enkele voorbeelden (de persoonsvorm staat onderstreept):

    Ik / heb / 50 lengtes / gezwommen. // –> de werkwoordelijke aanvulling is een voltooid deelwoord.

    Ik / kan / dit boek / in een uurtje / lezen. // –> de werkwoordelijke aanvulling is een infinitief.

    Hij / heeft / die nieuwe cd / zeker / al 10 keer / beluisterd. // –> de werkwoordelijke aanvulling is een voltooid deelwoord.

    Lag /je / al lang / te slapen? // –> de werkwoordelijke aanvulling is te+infinitief.

    De andere leerlingen / zijn / over de oefening / aan het klagen. // –> de werkwoordelijke aanvulling is aan (het) +infinitief.

    Ik / had / een veel leuker spel / gekocht kunnen hebben. // –> de werkwoordelijke aanvulling is een combinatie van één voltooid deelwoord en 2 infinitieven.

    Conclusie:

    De werkwoordelijke aanvulling kan dus een voltooid deelwoord, een infinitief, een te + infinitief, een aan het + infinitief of een combinatie van deze vormen zijn.

    Oefeningen

    Tips

    1. In elke zin kan maar één voltooid deelwoord staan!

      Hij is geweigerd geworden –> Fout!
      Hij is geweigerd. –> Goed!

    2. De werkwoorden van de werkwoordelijke aanvulling staan altijd samen, er kunnen geen andere woorden tussen staan.

      Hij heeft haar nooit kunnen een cadeau geven. –> Fout!

    Niet-werkwoordelijke aanvulling herkennen

    Soms hoort er bij de persoonsvorm nog een woord dat geen werkwoord is. Dat stukje noemen we dan een niet-werkwoordelijke aanvulling (n.w.w.a.). De meest voorkomende soorten zijn (de pv is onderstreept):

    • Hij / belde / haar / nog eens / op. // –> Scheidbare werkwoorden als opbellen, afzeggen, uitnodigen, …
    • De kinderen / eten / met lange tanden. // –> Met lange tanden eten is een uitdrukking en vormt dus een geheel.
    • De jager / verschanste / zich / in het bos. // –> wederkerende voornaamwoorden horen bij werkwoorden als zich verschansen, zich wassen, zich bekeren, zich ontfermen, zich schamen, …
    • Ze / helpen / elkaar. // –> wederkerige voornaamwoorden.

    Oefeningen

  • Persoonsvorm

    Persoonsvorm

    Persoonsvorm herkennen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    De persoonsvorm (pv) vind je door een ja/nee-vraag te maken. Het werkwoord dat vooraan in de zin staat is dan de persoonsvorm. Bijvoorbeeld:

    Dat / is / de Playstation 4 van Timo. //

    Is / dat / de Playstation 4 van Timo? //

    Je / hebt / mijn nieuwe smartphone / al / gezien. //

    Heb / je / mijn nieuwe smartphone / al / gezien? //

    Ik zit nog boordevol energie.

    Zit ik nog boordevol energie?

    De persoonsvorm staat dus ALTIJD vooraan in de zin bij een ja/nee-vraag.

    Oefeningen

    • Maak een ja/nee-vraag
    • Zoek de persoonsvorm

    Start de oefeningen hier.

  • Zinsdelen

    Zinsdelen

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.

    Hieronder vind je ook de klassieke weergave en de oude oefeningen terug. Bij voorkeur gebruik je de presentatie en oefeningen hierboven, maar wie dat wenst kan ook de oudere inhoud blijven gebruiken.

    Zinsdelen herkennen

    Als je tegen iemand iets wilt vertellen dan doe je dat in stukjes. Elk stukje bevat informatie. We moeten onze informatie opdelen omdat het anders te moeilijk wordt voor de luisteraar om het te begrijpen. Stel je maar eens een boek voor zonder leestekens. Daarom plaatsen we na elk stukje informatie een leesteken. Elk stukje informatie noemen we een zin.

    Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school.

    Ook een zin bestaat uit stukjes informatie. Elk stukje informatie in een zin noemen we een zinsdeel. Je kunt de zinsdelen van elkaar scheiden door een “/”. Het einde van een zin duiden we met “//” aan.

    Jan / gaat  / elke ochtend / om halfacht / naar school. //

    Je ziet dat een zinsdeel uit één woord (bijv. Jan) of uit meerdere woorden (bijv. elke ochtend) kan bestaan.

    Zinsdelen kun je herkennen door de verplaatsingsproef. Elk woord of woordroep dat je kunt verplaatsen is een zinsdeel.

    • Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school.
    • Gaat Jan elke ochtend om halfacht naar school?
    • Elke ochtend gaat Jan om halfacht naar school.

    Het woord “Jan” kun je makkelijk verplaatsen, het is dus een zinsdeel.

    • Jan gaat elke ochtend om halfacht naar school
    • Gaat Jan elke ochtend om halfacht naar school?

    Het woord “gaat” kun je makkelijk verplaatsen, het is dus ook een zinsdeel.

    • Elke Jan gaat ochtend om halfacht naar school.
    • Jan gaat ochtend elke om halfacht naar school.

    Het woord “elke” kun je niet verplaatsen, het is dus geen zinsdeel.

    • Ochtend Jan gaat elke om halfacht naar school.
    • Jan gaat elke om halfacht ochtend naar school.

    Het woord “ochtend” kun je niet verplaatsen, het is dus geen zinsdeel.

    • Elke ochtend gaat Jan om halfacht naar school.
    • Om halfacht gaat Jan elke ochtend naar school.

    De woordgroep “elke ochtend” kan wel verplaatst worden, en is dus een zinsdeel.

    Oefeningen

  • Zinsleer – overzicht

    Zinsleer – overzicht

    Als je een taalt leert en bestudeert kom je al snel in aanraking met begrippen als persoonsvorm (pv) en onderwerp (o). Het zijn begrippen die je zeker moet beheersen om de taal meester te worden.

    Een goede kennis van de zinsleer zal je begrip van spelling vergroten. Je zal bijv. veel beter begrijpen waarom je ‘vindt’ soms met ‘d’ en soms met ‘dt’ moet schrijven.

    In het onderdeel zinsleer ontdek je stap per stap de (vaakst gebruikte) zinsdelen. Wanneer zinsleer nieuw voor je is, volg je best de volgorde hieronder. Als je gewoon op zoek bent naar oefeningen over 1 bepaald onderdeel, kun je uiteraard enkel de onderwerpen aanklikken die jou interesseren.

    Wanneer je alle oefeningen achter de rug hebt, zul je de belangrijkste zinsdelen makkelijk kunnen herkennen.

    Nederlands

    Frans

    Engels

    Zinsdelen membre de phrase part of sentence
    Persoonsvorm le verbe conjugué finite verb
    Werkwoordelijkgezegde

    l’attribut
    Naamwoordelijk gezegde l’attribut predicate
    Samengestelde zin la phrase composée compound sentence
    Enkelvoudige zin la phrase simple simple sentence
    Onderwerp le sujet subject
    Lijdend voorwerp complément d’objet direct direct object
    Meewerkend voorwerp complément d’objet indirect indirect object
    Voorzetselvoorwerp complément prépositionnel prepositional object
    Handelend voorwerp complément d’agent adjunct
    Bijvoeglijke bepaling complément déterminatif attributive adjunct
    Bijwoordelijke bepaling complément circonstanciel adverbial adjunct
    Herhalingsoefeningen exercise de répétition refresher exercise
  • Het communicatiemodel

    Het communicatiemodel

    In onderstaande les zet ik alle begrippen in verband met het communicatiemodel nog even op een rijtje.

    Klik op de dubbele pijl rechts onderaan om de les op je volledige scherm te bekijken.