Een voornaamwoord is een woord dat verwijst naar iets anders. Het woord waarnaar verwezen wordt, heeft een bepaalde zelfstandigheid (vaak een zelfstandig naamwoord).

  • De man loopt over straat. Hij loopt daar. (‘Hij’ verwijst naar ‘de man’)
  • De kinderen spelen in de woonkamer. Ze spelen met de blokjes.
  • Loïc trouwt met Josefien. Hij trouwt met haar.

Er zijn heel wat soorten voornaamwoorden.

Persoonlijke voornaamwoorden

Het persoonlijke voornaamwoord is het voornaamwoord dat in de plaats van een zelfstandige naamwoord (een mens, dier of ding) staat. Enkele voorbeelden:

  • Hij brengt haar naar huis.
  • Ik breng hem naar huis.
  • Wij brengen jullie naar huis.

We gebruiken verschillende voornaamwoorden, al naar gelang van de functie van het persoonlijk voornaamwoord.

Als we het persoonlijk voornaamwoord op de plaats van het onderwerp zetten gebruiken we:

Enkelvoud Meervoud
1e persoon Ik Wij, we
2e persoon Jij, je, u Jullie
3e persoon Hij, zij, ze, het Zij, ze

 

Als we het persoonlijk voornaamwoord op de plaats van het lijdend of meewerkend voorwerp zetten gebruiken we:

Enkelvoud Meervoud
1e persoon Mij, me Ons
2e persoon Jou, je, u Jullie
3e persoon hem, haar hen, ze

 Oefening

Wederkerend en wederkerig voornaamwoord

Wederkerende voornaamwoorden horen bij wederkerende werkwoorden, zoals zich wassen, zich herinneren, zich schamen… Enkele voorbeelden:

  • Hij wast zich elke ochtend.
  • Wij herinnerden ons helemaal niets.
  • Ik schaamde me diep.
Enkelvoud Meervoud
1e persoon me ons
2e persoon je, zich je, zich
3e persoon zich zich

Wederkerige voornaamwoorden zijn eenvoudiger te gebruiken. Er is er maar één: elkaar.

  • Arno en Julie vervelen elkaar.
  • Kennen jullie elkaar?

Oefening

Bezittelijk voornaamwoord

Het bezittelijk voornaamwoord is het voornaamwoord dat de relatie tussen de persoon en een zelfstandig naamwoord aangeeft. Bezittelijke voornaamwoorden staan, net als bijvoeglijke naamwoorden, altijd voor het zelfstandig naamwoord. Enkele voorbeelden:

  • Dat is mijn boek.
  • Hebben jullie haar nieuwe liedje al beluisterd?
  • Kom binnen in ons nieuws huis.
Enkelvoud Meervoud
1e persoon mijn ons, onze
2e persoon jouw, je, uw jullie, uw
3e persoon zijn, haar hun

Een moeilijker voorbeeld:

  • Hanae, je moet je kamer nog opruimen.

De eerste je is onderwerp, en is dus een persoonlijk voornaamwoord.

De tweede je duidt een bezit aan, “je kamer”, en is dus een bezittelijk voornaamwoord.

Oefening

Aanwijzende voornaamwoorden

Aanwijzende voornaamwoorden verwijzen zowel naar personen als zaken, als naar de plaats waar die zich bevinden. Het zijn woorden als:

  • diegene, datgene,
  • die, dat, deze, dit,
  • eenzelfde, dezelfde, diezelfde, datzelfde, zulke, zo’n,
  • zodanig(e), dusdanig(e), soortgelijke, dergelijke, gindse,
  • zulks, zoiets

Vragende voornaamwoorden

Het vragend voornaamwoord is het voornaamwoord waarmee iets wordt gevraagd. Enkele voorbeelden:

  • Wie is dat?
  • Welke man?
  • Wat voor een spelletje is dat?
  • Hoe heb je dat gemaakt?

De meest voorkomende voornaamwoorden: welke, wat, wie, waar, hoe, wanneer, wat voor, wat voor een, welk(e)

Oefeningen

  • Welk vragend voornaamwoord moet je gebruiken?
  • Welk voornaamwoord is het?

Start hier de oefeningen.